Harry opschieten. We gaan wandelen. Ik heb geen zin. Niet zeuren we gaan even naar de Hertenkamp.

Heel lang geleden speelde dit zich af. We woonden in Haarlem en mijn herinnering is dat we, als Blauw-Wit niet thuis speelde, in het Olympisch Stadion in Amsterdam we op zondagmiddag altijd “moesten” wandelen. Als B-W wel thuis speelde gingen we naar Amsterdam met de tram die toen nog tussen Haarlem en Amsterdam reed. Mijn moeder en twee zusjes naar Oma en ik met mijn vader naar het stadion. Toen was ik al geen voetbal liefhebber en had geen geduld om zo’n hele wedstrijd uit te zitten. Een beetje teleurstellend voor mijn vader die zelf jaren keeper bij Blauw-Wit is geweest. Niet in het eerste maar toch. De andere zondag was het dus wandelen geblazen.

Wij woonden in het laatste huis van de Grote Houtstraat, woon je niet in Haarlem dan ken je die straat vast en zeker van het Monopolie spel. We liepen over de brug van de Singel en via het Houtplein naar de Dreef. Hier begon het echte werk. De Dreef klinkt heel stijlvol en dat is hij ook. Geen trottoir met tegels maar een breed pad met een soort leem en steentjes. Aan deze dreef ligt ook het paleis waar de broer van Napoleon woonde. Nu in gebruik als provinciehuis. Daar liepen we dan voorbij. Het tempo werd aangegeven door mijn vader. Hij was 1,82 en liep met grote passen. Mijn moeder deed haar best om hem bij te benen maar zij was niet groter dan 1,50 en moest er dus flink aan trekken. Mijn twee zussen en ik renden er achteraan. Ik was een jaar of zes en was toen en nog steeds niet een van de grootste. Het was dan ook topsport. Pap, ik kan niet meer. Kom op jongen, we zijn bijna bij de Hertenkamp. Zo kwamen we uiteindelijk na nog geen anderhalve km maar het leken er wel tien, bij een houten hek waar achter herten en wat lama’s liepen. Het hek helde wat voorover en iets van af de onderkant zat een dwarsplankje waarop ik kon staan. Op die manier kon ik stukjes brood aan de herten geven. Dat was wel iets dat de gigantische looptocht dan weer goed maakte. Als al het brood was uitgedeeld liepen we weer de zelfde weg terug. Ik bleef steeds meer achter en mijn moeder probeerde mij toch over te halen om iets meer door te lopen. Ik wist het toen zeker, later als ik groot ben ga ik nooit wandelen. Toen ik acht was verhuisden we naar Haarlem-Noord. Hier was de Haarlemmerhout niet om de hoek. Hier woonden we aan een drukke weg. Het wandelprobleem was hier mee opgelost.

Met mijn twee zusjes.

Ik heb het jaren vol kunnen houden, niet wandelen. alles op de fiets en zodra ik zestien was een brommer en zelfs net achttien een stokoude eend. Toen moest ik plotseling in militaire dienst. Dat worden dus veel marsen. Ook dat viel achteraf behoorlijk mee. Men had besloten dat ik kok moest worden. Ik was kapper en kok begint ook met een K dus dat moet de gedachte erachter wel geweest zijn. Ik vond het trouwens geen slechte keuze, je kan het slechter treffen. Tijdens die koksopleiding gingen we een keer op bivak in de buurt van Katwijk. Leren buiten op open vuur koken en we moesten ook een keer een mars lopen. De sergeant die normaal kookles gaf ging dat leiden. Na misschien 500 honderd meter liepen we een bocht om en eenmaal uit het zicht van de tijdelijke nederzetting kregen wij het bevel, rugzak af en zitten. Het was mooi weer. De sergeant riep, ik vind het wel goed zo, we blijven hier een uurtje en gaan dan weer terug. Dat was het dan. Een mars van een km. Toen ik eenmaal kok was hoefde ik al helemaal niet meer te lopen.

De ommekeer.

Zo’n zestien jaar geleden kon ik door grote zorgen slecht slapen. Om mijn hoofd wat leeg te maken liep ik al om vijf uur in de morgen op de hei. Lopen, lopen. De afstanden werden steeds groter. Even een rondje Ede- Otterlo. Wat was dit fijn, wat heb ik al die jaren gemist. Een paar dagen achter elkaar lopen, het Krijtlandpad in Limburg b.v. Nog iets verder was De camino naar Santiago de Compostela. Drie maanden onderweg en aangekomen in SdC zei ik, nooit meer. Twee dagen later begon ik al plannen te maken voor de volgende camino en er volgden de jaren erna dan ook nog een paar lange tochten. Ik moest iedere dag lopen, verslaafd heet dat. Hoe is het toch mogelijk dat ik, die echt niet van wandelen hield, zo de andere kant op kon gaan. Nu geldt, een dag niet gelopen is een dag niet geleefd.

Wandelen heeft veel voordelen:

  • Je neemt meer van je omgeving op
  • Je kunt al je gedachtes ordenen
  • Het leert je loslaten
  • Goed voor hart- en bloedvaten
  • Beter slapen
  • Betere conditie
  • Het versterkt je botten en spieren
  • Stofjes zoals endorfine en serotonine komen vrij, dit zijn gelukshormonen en die zorgen er weer voor dat jij je vrolijker en gelukkiger voelt. Dat “blijde zin” uit het liedje klopt dus wel.
  • Je verbruikt extra calorieën 

Dit zijn maar een paar voordelen maar er zijn er nog veel meer. Wat ik ook een voordeel vind is dat als je het goed doet het niet zo blessure gevoelig is. Je moet natuurlijk geen artrose in je knieën krijgen. Dit zijn allemaal voordelen maar eigenlijk vind ik het gewoon lekker.

Als ik nu loop moet ik toch vaak aan mijn vader denken. Door zijn snelle loopstijl die ik bij probeerde bij te houden heb ik nu ook nog steeds een flink tempo. Als hij nu zou weten dat ik zo graag loop zou hij het mij vast ook wel vergeven dat ik nog steeds geen liefhebber van voetbal ben.

Warme groet en een glimlach.