We laten Vila Real de Santo António achter ons We rijden weg zonder haast, het binnenland in, een landschap waar grenzen vervagen en de weg belangrijker wordt dan de bestemming.Het land van de mijnen. Het land waar grenzen niet met borden maar met landschappen worden aangegeven. Hier loopt Spanje ergens onzichtbaar mee. De zon staat hoog. We nemen ons voor haar niet te verspillen.

Eerst nog langs onze huisgrutter, een kort ritueel, en daarna een plek aan de Rio Guadiana. Twee jaar geleden stonden we hier alleen, toen leek het of wij alleen wisten dat deze plek bestond. Nu zijn we met vijf.

We worden gewekt door luid gekwakkel. De woerden zijn wakker, al uren wakker misschien. Vol ongeduld, vol aandrang. De vrouwtjes laten zich niet haasten. Sommige dingen volgen hun eigen kalender.

De weg naar Mina de São Domingos is een gatenweg. Langzaam rijden is hier geen keuze maar een voorwaarde. Ook hier waren we twee jaar geleden, maar sommige plekken laten je niet los. Dit voormalige mijndorp heeft iets hardnekkigs. We lopen door de ruïnes van wat ooit een gemeenschap was. Huizen zonder stemmen. Straten zonder richting. Hier werd gewerkt, gezwoegd, geleden. De grond gaf rijkdom, maar nam gezondheid. Engelse eigenaren verdienden, de aarde betaalde de prijs. Toen de eisen te hoog werden, bleven vervuiling en leegte achter. Wat nu rest is stilte en een waarschuwing.

Spook ruïnes

Je kunt economische belangen niet eindeloos boven menselijke gezondheid tillen zonder dat de rekening ooit wordt gepresenteerd. (Hoe zit het ook alweer met geitenfarms en lelykwekerijen.)

Later die dag volgt de klap op de vuurpijl. Bijna drie kilometer onverhard. De weg lijkt ouder dan de landen waar hij doorheen loopt. Misschien werd hier ooit gesmokkeld. Misschien alleen maar gelopen met een ezel. En dan ineens: het paradijs. Een plek waar waar je hart sneller van kloppen gaat. Een cadeau.

Stoeltjes buiten en wat eten. Net als het ei sist in de pan, klinkt een harde claxon. Even denk ik aan de bakker ,diezelfde brutale aankondiging van vers brood op de camping. Maar dit is iets anders. Een man stapt uit. Jagerskleding. Camouflage. Een pet die al veel zon heeft gezien. Hij vertelt dat hier over vier dagen wordt gejaagd. Dat we dan beter weg kunnen zijn. We zouden een opvallend doelwit vormen, zegt hij, bijna verontschuldigend. Vier dagen is geen probleem. We mogen blijven. Bedankt. We glimlachen. We menen het.

Ons paradijselijke plekje

We staan precies op de grens. Portugal hier, Spanje daar. Beneden ons de rivier als grens tussen de twee landen. Het is onvoorstelbaar stil. Zelfs met mijn gehoorversterkers vol open hoor ik niets. Geen weg. Geen stem. Geen wereld. Alleen de nacht die zich uitstrekt. De sterren hangen laag en nabij.

De avond valt

Rond tien uur worden we opgeschikt door geluid. Licht. Gefluit. We doen het lampje uit en kijken naar buiten. Een kudde grote geiten schuift langs onze camper. De herder en zijn hond snijden het donker open met een felle schijnwerper. Even is alles beweging, geblèr, hoeven op steen.

Dan trekt het voorbij. De stilte keert terug. En wij met haar.

Als hij niet opent even de blog in browser openen

(Wordt vervolgd)