einde van de wereld.

Hoofdstuk 20

Het einde van de wereld.

Nu ben ik dan in Santiago de Compostela. Het is super druk en ik mis de betrekkelijke stilte van de camino nu al. Er staan overal rijen mensen en het is soms schuifelen achter elkaar aan in de smalle straatjes. Door de speciale groep Spaanse mensen met een beperking die hier opgewacht en verwelkomd worden door hele families is het overvol. Het is bijna een gevecht om de kerk binnen te komen. Maar het is gelukt, ik ben binnen en sta te wachten, de banken om te zitten zijn vol, tot de mis begint. Daar komen ze dan, een hele stoet met Priesters en Acolieten. Waar ik onderweg zo’n tekort aan priesters waarnam is er hier een overvloed van. Er staan zeker 10 priesters rond het altaar. Het merendeel is hoogbejaard. Tijdens de dienst, als ze mogen zitten, zag ik twee van de priesters een tukje doen. Ik heb meer oog voor dat tafereel dan voor de rest. Ik zag ze iedere keer wegzakken en als er dan weer een ander onderdeel in de mis kwam schrokken ze wakker, maar even later viel dat hoofd dan weer naar beneden. Misschien is dit een soort dagbesteding voor priesters met emeritaat.

Tijdens de mis wordt er ook gezongen en ik heb mazzel want deze keer heeft er een non met een prachtige stem dienst. De herinneringen uit mijn verleden als koorknaap van de koorschool van de kathedrale basiliek St Bavo in Haarlem komen boven. De prachtige Gregoriaanse muziek ontroert mij. Dat is dan ook alles wat mij ontroert aan deze toeristische vertoning.

Waar ik sta heb ik ook zicht op de gouden Sint Jacobus die hoog boven het altaar staat. Ik zie een doorlopende stroom mensen er achter langs lopen die dan even het beeld aanraken of kussen. Dan het hoogtepunt van de voorstelling de botafumerio , het grootste wierookvat ter wereld. Het zou bedoeld zijn om de lucht in de kathedraal te zuiveren van onreinheden en de niet echt lekkere geur die de pelgrims mee naar binnen namen maar het is gewoon een attractie geworden. Een team van 6 tiraboleiros (slingeraars) trekken ieder aan een touw en de botafumerio gaat met een snelheid van zo’n 68 km door de dwarsbeuk. Op zich een spectaculair gebeuren.

Jacobus met erachter mensen die hem aanraken en kussen.

Buiten staat nog een enorme rij voor de ingang naar het beeld van Jacobus. Voor dit moment even genoeg Jacobus, de zon schijnt en het terras roept. Ik ben alweer veel pelgrims van onderweg tegen gekomen en we hebben veel verhalen te vertellen.

Het is tijd om mijn bewijs dat ik deze tocht gelopen heb op te halen bij het pelgrimskantoor. Heel veel mensen die de verplichte honderd km hebben gelopen. Als ik aan de beurt ben en de medewerker ziet aan mijn stempelkaart waar ik begonnen ben, laat hij die direct aan zijn buurman zien en ik word uitgebreid gefeliciteerd, best een mooi moment als ik mijn compostela ontvang.

Bij Santiago de Compostela hoort ook nog Finisterre. Een aantal pelgrims heeft moeite om te stoppen met lopen en daarom lopen ze nog een stukje door. Het einde van de wereld, de Romeinen, die dachten dat de wereld reikte tot dit meest westelijk gelegen punt van het Europese vasteland en niet verder. We weten nu beter. Ik ga niet lopen maar neem de bus er naartoe. Vanaf het dorpje is het nog drie km lopen naar de rots aan de Costa del Morte. Hier liggen veel scheepswrakken want in vroeger tijden en trouwens ook nu nog vergingen en vergaan er veel schepen. Op deze plek zo rond zonsondergang verbranden veel pelgrims (nu verboden) symbolisch iets wat ze onderweg gedragen hebben. Het verbranden van het oude en dus een nieuw begin. Voor veel pelgrims is dit ook een nieuw begin, een nieuw hoofdstuk van hun leven.

Ramona, Hugh en ik.

Voor mij zal het ook altijd zijn, een deel voor en een deel na Santiago de Compostela..

De stalker

Hoofdstuk 17

De stalker.

De regen is voorbij en de zon schijnt lekker. Vandaag naar Cádavo, een pittige dag van ruim 24 km met een beklimming van 850 m en voor mijn knieën vervelend een afdaling van 1075m. Vandaag loop ik het grootste deel alleen en dat is heerlijk. De hele dag naar Engels of eigenlijk Australisch luisteren is behoorlijk vermoeiend. Ik doe het rustig aan, de afgelopen dagen waren, tenminste voor mij best wel zwaar en ik loop te denken om een rustdag in te lassen. De laatste was alweer in Bilbao en dat is een tijd geleden, het wordt wel weer eens tijd. Het fijne is dat ik ook tijd genoeg heb, ik loop voor op mijn schema. Het is nu 10 juni en ik vlieg pas 23 juni naar een vriend in Portugal waar mijn lief ook zal zijn. Het is nog maar 154 km naar Santiago de Compostela.

Hugh ziet een rustdag ook wel zitten maar onze Poolse camino vriendinnen moeten verder, zij hebben een strak schema. Vanavond hebben we een afscheidsfeestje. Eerst nog een keer naar een kerk die naast de Albergue staat en daarna het laatste avondmaal (lees Menu del dia) met redelijk wat rode wijn.

Met een nogal strak hoofd loop ik vandaag op deze “rustdag” 8 km naar Castroverde. We gaan niet in een albergue maar in een pension. Een verwen dagje. We hebben een ruime tweepersoons kamer en er is een heerlijk ligbad. Dat is lekker, zomaar een half uurtje uitgebreid in bad. Voeten verzorgen, nagels knippen en een wasje doen. Wat kan ik genieten van zo’n dag. Morgen een klein stukje naar Lugo, 22 km.

Begin van de middag zijn we al in Lugo, de rustdag heeft mij goed gedaan. Via een achterafstraatje kom ik aan bij een grote hoge muur en daarin een poort. Door de poort heen sta ik in het oude centrum van Lugo. Deze stad is helemaal ommuurd met een zes km lange, zes meter brede en 10 tot 15 meter hoge Romeinse muur. Deze dateert oorspronkelijk uit de 3e eeuw. In de loop der tijd veel beschadigingen door oorlogen maar telkens weer gerestaureerd. Je kunt er helemaal boven op lopen en hebt zo een goed gezicht op de oude stad.

Lugo

In deze stad beginnen ook veel pelgrims, het is nog 100 km en als je dat loopt en twee stempels per dag kunt laten zien in je credential kun je in SdC een compostelaat krijgen, een bewijsstuk van het volbrengen van je tocht. Of je nu 100 of 2400 km hebt afgelegd maakt niet uit.

Er is hier een grote albergue. Twee hele grote ruimtes met stapelbedden. Veel nieuwelingen, in ieder geval pelgrims met nog schone kleren en rugzak. Sandro, de Italiaanse snurker ligt in een andere kamer dan ik dus met mijn nachtrust zit het wel goed.

Vanaf de omwalling zie ik de grote Kathedraal en daar ga ik toch een kijkje nemen. Binnen prachtige bewerkte beelden en begint net een mis. Veel vooral oude Spaanse mannen en vrouwen. Tussen dit publiek zit een jonge blonde vrouw, dat kan nooit een Spaanse zijn concluderen Hugh en ik. Waar je zoal op let.

Prachtige beelden.

De volgende plaats waar ik heen loop heeft de mooie naam, San Román da Retorta en deze ligt 19,5 km verder. De naam is bijna groter dan de plaats zelf want het is niet meer dan een paar huizen, een winkeltje en…….een albergue met maar 12 plaatsen. Hier in de albergue van Lugo zijn zeker 24 pelgrims dus voor de helft is er geen plaats in de herberg. We besluiten om vroeg op pad te gaan om zo verzekerd te zijn van een bed. Om elf uur zijn we al als vierde op de plaats van bestemming.

Een bed verzekerd. De albergue gaat pas om vier uur open, wat moeten we hier in dit gat met de mooie naam doen? Er is geen kroeg of restaurant alleen dat kleine kruidenierswinkeltje. Zo langzamerhand komen er steeds weer pelgrims aan en wie loopt daar tussen? De blonde vrouw die gisteren ook in de kerk was. Het is Ramona uit Duitsland. We praten wat en maken foto’s. Er loopt de hele tijd een man langs en Ramona ontwijkt hem. De eerste dag van haar camino die ook begon in Oviedo maar een dag na ons liep ze met deze man uit Frankrijk op. Hij is 68 en getrouwd. De dagen er na wil Ramona alleen lopen maar hij blijft haar achtervolgen dus loopt ze maar weer met hem mee. Hij wil meer dan alleen maar samen lopen. Hij is trouwens niet alleen maar hoort bij een groepje met nog drie Fransen. Die laten het gebeuren en bemoeien zich er niet mee. Het is net een puber waar de hormonen de broekspijp uit lopen. Ramona vraagt of ze bij ons kan blijven zodat ze van die man die stalker af is. Geen probleem. Ik hoor van de uitbater van de kruidenierswinkel dat er zo’n acht km verder nog een particulier is waar je ook kunt overnachten en eten. Hij heeft een telefoonnummer en ik bel en reserveer een driepersoonskamer. De Fransman moet dit gesprek gehoord hebben want als wij later bij de plek aankomen staat hij al buiten te wachten. Heel sneaky heeft hij er voor gezorgd dat zijn drie medepelgrims de driepersoonskamer hebben en zegt als wij binnen komen, Ramona, ik heb voor ons een tweepersoonskamer, voor Hugh en mij is er ook nog een. De stalker staat minzaam te glimlachen. Pikken wij dit? Nee zeker niet. Na wat heen en weer gepraat met de eigenaar wordt er bij ons op de kamer een uitklapbed bijgezet en na loting slaapt Hugh daarop. We eten nog wel gezamenlijk maar de sfeer is niet echt uitbundig.

Hugh op zijn bedje

De volgende dag als we net onderweg zijn met Ramona natuurlijk, komt de stalker plotseling achter een boom vandaan. Hij heeft gewoon daar staan wachten tot we daar voorbij kwamen en wil weer met Ramona aanpappen. Hugh stapt op hem toe, grijpt hem met twee handen bij z’n geruite overhemd en zegt dreigend iets van, als ik je nog een keer in onze buurt zie kom je er niet zo vanaf en nog een paar dingen die ik niet zal herhalen. We hebben hem de verdere weg niet meer gezien. Pas in SdC weer, opeens kwam hij weer achter een pilaar vandaan, hij wou nog iets tegen Ramona zeggen. Dat gebeurde dus niet.

Ja ook dit soort dingen kun je meemaken op de camino.

(tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Ik liep de primitivo in 2010 met Hugh en een deel met Ramona erbij. 1 juni a.s. ga ik met hen de primitivo nog een keer overdoen. Ik zal daar via een vlog verslag van doen en ook van de voorbereidingen. Abonneer je nu vast op mijn YouTube kanaal.

LekkerLopenTV

Mijn haar knippen, 35 of 5 euro?

In Nederland ben ik vlak voor ik naar Spanje ging naar de kapper geweest. Een goede kapper dat zeker wel. Eerst mee naar de wastafel en daar de shampoo heerlijk masserend over mijn hoofd en haar verdeeld door een aardige kapster. Kopje koffie voor mij en zij wachtend tot mijn kopje leeg is. Nu is mijn haar niet meer wat het geweest is, zeg maar rustig behoorlijk dun, binnen 15 minuten is het gepiept. Ik wil het niet gedroogd hebben, alleen een beetje zout water erin gespoten om het weer stevig te maken. Het zeewater effect. Afrekenen, 35 euro .

Nu in Spanje is het weer tijd om mijn haar te laten kortwieken, nou ja een beetje dan. Op de antiekmarkt bij Benidorm staat in een kraampje een man te knippen. Wat zal ik doen, durf ik het daar te laten knippen? De kapper is nu bezig met een man die wel erg kort haar krijgt. Eerst nog maar een rondje over de markt. Ik kom terug bij het kraampje en de stoel is net leeg. Ik ga zitten. Mijn haar wordt nat gespoten en de man begint met een behoorlijk tempo te knippen. Na 10 minuten ben klaar. Resultaat? Precies zoals ik het wilde. Net dagene eraf waardoor het weer goed valt. Nu dan afrekenen. 5 euro (vijf). Ik ben in tijden niet zo goed en naar mijn wensen geknipt. Nu hoor ik je al zeggen, wat een oplichters daar in Ede. Nou dat ligt niet zo simpel. De kosten zijn daar in die luxe kapsalon natuurlijk beduidend hoger dan hier op de markt. Duur personeel, verzekeringen, inrichting, kopje koffie, trainingen voor personeel, cursussen, belastingen en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Alleen het verschil in resultaat is er niet of nauwelijks en dat in het voordeel van die Spaanse kapper.

Op het prijsbord zie ik wel het verschil in prijs voor dames en heren waar in Nederland zoveel om te doen is. De conclusie voor mij is dat duurder niet altijd beter is al is het prijsverschil wel te verklaren. De absoluut goede kapper in ede is People Behind The Mirror. De uitstekende kapper in Spanje staat op de antiekmarkt in Benidorm (do, vr, zat en zondag)

Start van de Primitivo

Hoofdstuk 13

Het is even zoeken maar toch staan we al vroeg voor de alberque in Oviedo. Alles is dicht en hij gaat pas om half vijf open. Er staan al een paar mensen te wachten. Om nu een paar uur daar voor zo’n gebouw rond te hangen is niet echt aanlokkelijk. We zetten de rugzakken in de tuin en gaan de stad in. Hugh moet wat zakelijke dingen regelen en gaat in een café zitten en ik ga deze stad eens bekijken.

Deze studentenstad is de hoofdstad van het prinsendom Asturië. Het is een stad die niet vol is met toeristen en het is de stad van de cider. Wat ook opvalt zijn de grote glanzende beelden die overal staan. Het moeten er ruim honderd zijn.

De grootste attractie blijft toch wel het cider schenken. Dat gaat zo. Je bestelt cider en dan pakt de ober een glas in zijn hand op dijbeenhoogte. In zijn andere hand de fles cider die hij met een gestrekte arm boven zijn hoofd houdt en daarvandaan giet hij wat cider in het glas. Niet zoveel want je moet het glas in een teug leegdrinken. Is je glas leeg dan weer hetzelfde ritueel.

Een goede ober schenkt zo van boven en morst geen druppel.

Mijn broek is stuk en ik zie een klein atelier. Binnen achter een naaimachine zit een vrouw te werken. Ik ga naar binnen en laat zien waar het stuk is. Peligrino? Vraagt ze. Si, antwoord ik. Ze begint in het Spaans te ratelen en te gebaren en ik begrijp dat ik mijn broek moet uittrekken. Ze pakt de broek aan en zet zich weer achter de machine en begint aan de reparatie. Daar sta ik dan in mijn onderbroek. Ze is rap en binnen een paar minuten kan ik hem weer aantrekken. Ik vraag wat het kost, nada, zegt ze met een dikke glimlach. Buen Camino. Het geeft mij een fijn gevoel.

Mijn broek wordt vakkundig gemaakt.

Tegen half vijf weer terug bij de alberque en het is goed dat onze rugzakken er al staan want de rij mede pelgrims is al aardig lang geworden.

Voor het eerst in deze alberque worden de vrouwen van de mannen gescheiden. We hebben aparte kamers. Ik bemachtig een onderbed. Vooral als je s’nachts eruit moet is dat wel handig. Boven mij komt een man te liggen die binnenkomt in een soort camouflage kleding en een enorme rugzak. Hij legt zijn slaapzak op het matras en verdwijnt weer net zo stil als hij binnenkwam.

Ik doe even een tukje en ga daarna met Hugh op pad om wat te eten. Gewoon een stukje eten gaat op dit tijdstip niet dus er zit niets anders op dan wat te gaan drinken. De gewoonte is hier dat bij elk glas drank dat je bestelt er een tapas zit. Vaak wel wat zoute dingen zodat je dorst houdt. In een smal straatje komen we terecht in een drukke bar. Buiten staat het vol mensen met een drankje in de hand. De man van het bovenbed zit alleen aan een tafeltje en er staan nog twee stoelen naast. Hugh en ik schuiven bij hem aan. Het is een Brit, Jake. Even voorstellen, hij heeft eerst in het Britse leger gezeten, eenheid special boot service, een elite eenheid waar alleen de best getrainde mannen inzitten. Na vele geheime missies is hij overgeplaatst naar een speciale eenheid van de politie. Tot dat het hem allemaal teveel werd, er helemaal doorheen zat en uiteindelijk afgekeurd, nog geen vijftig. Allerlei therapieën gevolgd maar niets helpt echt. Uiteindelijk komt hij in Nederland terecht bij ene Greet. Dat helpt hem echt en door haar is hij nu als pelgrim onderweg naar Santiago. Begonnen in Engeland. Hij vertelt dit om dat ik uit Nederland kom en ook als therapie om er zoveel mogelijk over te praten. Op de klok kijkend moeten we opschieten want om tien uur gaat de deur van de alberque op slot. We zijn net op tijd.

Lekker buiten met je drankje

Die nacht als ik een tijdje wakker lig staat Jake opeens naast zijn bed. Ik heb niets gehoord. Normaal is het een gestommel als er iemand uit zijn bed komt maar nu hoorde ik niets. Het lijkt wel een kat. Ik zie hem met z’n slaapzak de kamer uit sluipen en hij komt niet meer terug. Het was te warm en hij heeft buiten geslapen, vertelde hij s’morgens.

Vandaag lopen we naar San Juan de Villapañada, dit is iets meer dan 28,5 km. Het is nog een hele toer om de stad uit te komen. Er liggen wel overal van die koperkleurige schelpen in het trottoir maar er lopen diverse routes. Na een beetje heen en weer gedrentel, zitten of eigenlijk lopen we weer op de goede route. Het parcours is niet al te moeilijk, wat heuvelachtig terrein maar het aantal km gaat toch wel in mijn benen zitten.

De alberque ligt zo als gewoonlijk wat buiten het centrum. Wij komen rechts aan maar van de andere kant komt er ook een pelgrim aangesjokt. Hij moet ook bij de alberque zijn.

Het gebouw ligt iets op een heuveltje en heeft een ruimte met tien stapelbedden en een grote woonkeuken. De een na de andere pelgrim komt binnen. . De meeste Spanjaarden maar ook twee Poolse vrouwen. Een van de Spanjaarden is kok en hij gaat heerlijke spaghetti met tomatensaus maken. We zitten met z’n achttienen aan tafel. Weer andere mensen hier dan in Oviedo. De meesten die daar aan hun camino beginnen lopen de eerste dag tussen de 10 en 15 km. Beetje opbouwen.De Itäliaan is er wel en met 18 personen in een toch wat benauwde ruimte zal het geen rustige nacht worden.

Alberque

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Het einde van de Camino del Norte

Het is bloedheet. Het doel van vandaag in Colombres. Vooral het laatste stuk is zwaar. Niet dat de weg onbegaanbaar is, het is veel verhard lopen maar vooral veel stijgingen. Ook hier is het eindpunt weer ergens op een top. In Colombres zijn twee plekken om te overnachten. Een alberque particular en een geïmproviseerde slaapplaats in een sporthal. Ik kies toch maar voor de eerste. Tweepersoons kamers en lekkere douches. In eerste instantie zijn Hugh en ik de enige pelgrims die hier zijn maar een uurtje later komt het Tsjechische paar hier ook. Ze zijn blij dat ze eindelijk weer eens een kamer voor hen zelf hebben. Het is een leuk vrolijk stel. We gaan met z’n vieren eten en ze vertellen over hun leven. Van het jaar dat ze nu getrouwd zijn, zijn ze misschien een maand bij elkaar geweest. De vrouw is verpleegkundige en werkt fulltime in een ziekenhuis en de man is ICTer en werkt in Duitsland. Het salaris in Tsjechië is zo erbarmelijk laag voor verpleegkundigen en voor de man is er geen werk zodat hij wel verplicht in het buitenland moet werken, willen ze samen iets kunnen opbouwen. Daarom is deze reis naar Finisterre zo belangrijk voor ze. Dat soort problemen kunnen wij ons bijna niet voorstellen in ons welvarende, vol met zeurende mensen, land.

Het Tsjechische paar

Naar Santiago lopen is niet alleen maar lopen, onderweg zijn er veel plekken waar je de tijd voor moet nemen om die te bekijken. Hier in Colombres is dat zeker het Museo de la Emigratión. Het is al een prachtig gebouw aan de buitenkant en binnen kun je op drie verdiepingen de geschiedenis tot je door laten dringen van de vele emigranten die naar vooral Zuid-Amerika vertrokken. Het museum is gebouwd door de emigranten die het in de verre gemaakt hebben.

Een van die avonturiers was Iñigo Noriega Laos. In 1867 vertrok hij op veertienjarige leeftijd uit Colombres naar Mexico. De reis er naartoe, natuurlijk per schip was een verschrikking maar eenmaal in zijn “beloofde” land ging het een stuk beter. Hij werd een van de rijkste zakenmannen van Mexico. Daar bouwde hij ook een stad die hij Colombres noemde. Hij was een van de geldschieters van dit museum. Voor hem kwam er een nogal vervelend einde aan zijn leven. Tijdens de revolutie werden al zijn bezittingen onteigend en hij stierf op 67 jarige leeftijd.

Ik heb toch wel een paar uur vertoefd in dit museum en kon mijn fantasie de vrije loop laten.

Zomaar. Een herderin onderweg

Weer op de camino en op weg naar het 23 km verder gelegen Llanes. Op deze route had ik de keus voor een kortere route langs de weg of een wat langere en moeilijker langs de kust. Het werd de kust en daar heb ik absoluut geen spijt van gehad. Wat een mooie uitzichtpunten hier over de baaien en zee. Het is eigenlijk een GR de E-9 en ik moet alleen de rood-witte markering maar volgen om goed te lopen.

Iets voor mij loopt zo te zien een medepelgrim. Hij blijft vaak stil staan om een selfie te maken. Ik praat over 2010, toen zag je dat nog niet veel. Een kleine camera, eerst even zijn haar kammen, goede pose aannemen en klik. Hij blijkt een Italiaan te zijn, Sandro. Hij ziet er piekfijn uit, wit haar en dito keurig verzorg baardje. Dit is de eerste ontmoeting met Sandro en er zullen er nog veel volgen want hij loopt dezelfde route en tempo.

Die avond ook voor het eerst in een en de zelfde kamer. Is dat erg? Prettig is het niet want Sandro heeft een bijzondere eigenschap. Hij kleed zich uit, gaat even op de zijkant van zijn bed zitten, het lijkt dat hij dan bidt, gaat liggen en binnen 30 seconden begint hij te snurken dat het lijkt of je in een mega varkensstal bent. Zo gaat dat iedere avond. Als er meer kamers zijn zorg ik er voor niet in zijn kamer te liggen. Als er een kampioenschap snurken zou zijn wint deze man met ruime voorsprong.

Toch nog wel wat geslapen en de volgende dag vroeg weg. Vandaag lopen we naar Ribadesella toch bijna dertig km.

Deze stad ligt pal aan zee en de rivier de Sella mondt hier uit. We zijn pas laat in de middag hier maar gaan toch even naar de zeekant om een duik te nemen. Ik heb geen zwembroek bij me maar in een Odlo onderbroek is het ook goed zwemmen. Het water is nog wel koud maar na zo’n dag lopen knap je wel op van een duik.

Na nog een paar dagen lopen hier langs de kust besluit ik om verder te gaan op de camino Primitivo.

In het gehucht Casquita kun je of doorgaan met de Del Norte of afbuigen naar Oviedo en dat laatste doe ik.

De Primitivo loopt door Asturias en Galicië.

Deze camino is waarschijnlijk de allereerste weg naar Santiago de Compostela. Vandaar ook de naam Primitivo, die ook de Oorspronkelijke genoemd wordt. Het verhaal wil dat Alfonso 11 el Castro in de 9de eeuw deze weg nam om te kijken bij het pas ontdekte graf van de apostel Jacobus. Hij moest wel over deze weg omdat de andere wegen nog bezet waren door de Moren. De Primitivo wordt ook genoemd als de zwaarste camino. Het binnenland van Asturias is erg hoog dus veel stijgen en dalen.

Tot zover dus de Camino del Norte. Een pittige camino maar dat zijn ze allemaal eigenlijk wel.

Volgende week lopen over de camino Primitivo.

Prachtig zicht op de zee langs de Camino del Norte

Camino, dagelijkse routine?

Vanaf de plaats waar ik begon, Wissant, ben ik nu zo’n 1200 km gevorderd. Het is niet meer voor te stellen dat het begin voor mij zo moeilijk was. Die narigheid met mijn voeten en scheenbeen. Sinds ik op de schoenen loop die ik heb laten opsturen heb ik geen centje pijn meer. Mijn voeten zijn genezen en ik heb geen blaar meer gehad. Dit is heel anders lopen. Door gemiddeld 25 km per dag te lopen is mijn conditie steeds beter geworden en is top. Dat wil nu ook niet zeggen dat het makkelijk is, als ik na 6 tot 8 uur lopen aankom op mijn dagbestemming ben ik toch wel blij dat ik er ben. Het is heel apart maar in de meeste gevallen liggen de alberques aan het einde of iets buiten het dorp en op het hoogste punt. Het is net een wielerwedstrijd, de finish is dan ook pas na een laatste moeilijk stukje.

 De dagen zijn eigenlijk allemaal hetzelfde heel basic. Ze beginnen vroeg, meestal voor zevenen het bed uit. Wassen, aankleden, de rugzak weer inpakken en het papieren onderlaken en sloop weggooien. Klaar om weer een dag te lopen. Als er iets open is eerst wat eten en koffie of anders lopen tot er wel iets is. Onderweg wat fruit en chocolade kopen, stokbroodje en wat beleg. Meestal van die driehoekskaasjes, La Vache Qui Rit. Makkelijk en je hebt met zo’n doosje gelijk voor een paar dagen iets op je brood. Ik kan ze nu niet meer zien.

Weer lopen tot het tijd wordt voor een menu del dia. Ik doe dat het liefst aan het begin van de middag. In Spanje kun je pas laat s’avonds eten en dan lig ik met zo’n volle maag in bed. Het nadeel is wel weer dat bij een dagmenu dat negen euro kost, ook een halve fles wijn inbegrepen is. Wel lekker maar er moet nog gelopen worden. Dat doe ik dan ook tot ik bij de alberque ben.

Inschrijven en een stempel op mijn kaart, bed uitzoeken of aangewezen krijgen. Papieren hoes over het matras en kussen en eigen slaapzak erop. Schoenen en sokken uit en dan als eerste een heerlijke douche. Dat is zo lekker, ik sta onder de hete straal, mijn ogen dicht en het lijkt of met het water dat in het putje wegloopt ook mijn vermoeidheid door dat zelfde putje verdwijnt. Avondkleding aan en nog even een handwasje doen, in ieder geval een van de drie sneldrogende onderbroeken die ik bij mij heb.

Meestal ga ik dan een klein tukkie doen en sta na een half uur weer fris naast mijn bed. Het stadje of dorp wat verkennen en een consumptie nuttigen.

Dagboek schrijven en de foto’s bekijken die ik geschoten heb. Als er WiFi is wat tien jaar geleden lang niet overal was, een tijdje Skypen met mijn lief.

s’Avonds wat kletsen met de medepelgrims en vroeg naar bed. Dat is het wel zo’n beetje en dat iedere dag. Het lijkt wel werk maar dan anders en dat is het zeker.

Ik maak mij bijna nergens meer zorgen om, de enige zorgen die ik heb zijn , kan ik ergens eten en  slapen want ik weet nooit precies waar dat kan. Is de alberque waar ik wil slapen vol dan moet ik door of als ik net wil eten is die winkel of restaurantje dicht.

 Het fijne van lopen is voor mij dat ik opga in de natuur. Ik zie en ruik alles veel beter. Een horloge heb ik niet nodig. Ik loop niet op tijd maar gewoon wat ik aankan. Of ik nu 6 of 9 uur doe over 25 km, ik moet niet op een bepaalde tijd ergens zijn en dat geeft zo’n gevoel van vrijheid. Zo loop ik mijn dagen en ik zie wel wanneer ik aankom op mijn eindbestemming, Santiago de Compostela.

Als er niets open is dan zelf maar iets maken.

Hugh en ik lopen achter elkaar op een smal paadje als we voor ons een vrouw en een man zien. De man loopt niet lekker, hij loopt scheef net of hij op een been wil lopen. Ze hebben rugzakken om dus het zullen wel medepelgrims zijn. Als we dichterbij komen zien we dat de man op teenslippers loopt. Als pelgrim loop je nooit andere pelgrims zomaar voorbij, nee je maakt een praatje. De vrouw en de man zijn Amerikanen. Ze zijn pas een week onderweg en de man kan zijn loopschoenen niet meer aan van de ontstekingen. Dat doen we wel even dachten ze en de eerste dag liepen ze direct al 45 km. Niet getraind en dan vol er tegen aan. Overbelasting.

Waar zijn jullie begonnen, vraagt de vrouw.

Ik in Bilbao en hij, ik dus, in Noord Frankrijk. Hij heeft er nu 1200 km opzitten zegt Hugh.

Twaalfhonderd km vraagt de vrouw ongelovig. Hoe kun je er dan zo stralend uit zien.

Dat doet de camino dus met mij, ik heb het zo naar mijn zin dat dat ook uiterlijk te zien is en zo voel ik mij ook, stralend.

Hugh en ik lopen door en ik denk na over de opmerking van deze vrouw. In Frankrijk waar ik alleen liep en verschrikkelijk heb afgezien heb ik mijn psychische bagage kunnen wegwerpen en nu is het genieten met alleen mijn fysieke bagage.

Camino del Norte

Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Hugh

Hoofdstuk 10

Hugh

Na een zeer onrustige nacht in de benauwde ruimte waar geen raam open mag ga ik toch maar weer op pad voor de 23 km naar Mogro. Voor zessen is het al een drukte van belang en dringen bij de wc’s en douches. We lopen om zeven uur al buiten en het duurt even voor er een tentje open is voor een desayuno. Echt wakker worden van een goede kop koffie.

Het is eerst veel asfalt maar dat hoort er nu eenmaal ook bij.

Jean heeft echt haast want die is in no time verdwenen. Hugh en ik hebben een wat rustiger tempo.

Hugh woont in Australië en praat dan ook die typische taal. Het is even wennen maar goed te doen.

In Sydney heeft hij een Apple service bedrijf en iedere winter daar gaat hij drie maanden naar Europa. Vorig jaar liep hij zijn eerste camino en direct al een pittige, de Via de la Plata. Deze loopt van Sevilla naar ScC. Nu is hij wel wat hitte gewend en ging deze camino in juli doen. Bloedheet. Het voordeel is dat er bijna geen mens deze route in die tijd doet.

Het heeft niet zoveel met mijn camino te maken maar ik vind het zo apart dat ik het toch vertel.

Hij begint de eerste dag in Sevilla samen met een vriend. Deze heeft het goed voorbereid en vertelt Hugh hoe er gelopen moet worden. Dat gaat natuurlijk verkeerd.

Verkeerde weg bij de start en ze moeten door het water waden. Na een paar dagen kan die vriend niet meer en zegt, ik moet een paar dagen rust, ga jij maar verder ik kom je wel achterna met OV. Na een week komt er een bericht uit Engeland waar hij woont, ik ben maar naar huis gegaan het is niets voor mij. Hugh was door hem overgehaald om te gaan lopen.

Intussen loopt Hugh met een Duitser, Heinz, hoe Duits kan je zijn. Een man van net zestig die kanker heeft. Hij is uitbehandeld en hij wil speciaal naar SdC lopen. Zijn familie is het daar niet mee eens maar hij gaat toch.

In een alberque waar ze met z’n tweeën zijn komt er nog iemand binnen, een fietser. Dit is een Spanjaard en heet Manolo. Zijn fiets is stuk en hij besluit om een dagje mee te lopen. Dat bevalt hem zo goed dat hij naar huis belt, hij woont in Sevilla en is daar taxi-chauffeur, voorlopig kom ik niet thuis, ik ga niet fietsen maar lopen naar SdC.

Zo gaan ze gedrieën op weg. Hugh spreekt alleen maar Engels, Heinz alleen Duits en Manolo alleen Spaans.

Het is een zware route met lange afstanden (ik heb hem ook gelopen) en Heinz krijgt het steeds moeilijker maar hij wil zijn tocht afmaken.

Deze mannen krijgen zo een hechte band, Hugh en Manolo doen er alles aan om het voor Heinz mogelijk te maken om de kathedraal in SdC te halen.

Manolo draagt niet alleen zijn eigen spullen, hij draagt ook de rugzak van Heinz. Uiteindelijk halen ze de eindstreep. Heinz is op maar o zo gelukkig. Dit was de reis die hij altijd al wilde maken, drie maanden later begon hij aan zijn laatste reis, die naar een andere wereld.

Je zou hier zo een mooie film over kunnen maken. Een waar gebeurd verhaal.

In Mogro zit Jean al aan zijn biertje en aan de ene sigaar die hij per dag rookt. Een man van vaste gewoontes zelfs hier op de camino.

De volgende dag is een wat kortere afstand. Ik loop naar Santilliana del Mar, het is ongeveer 19 km.

Nu is de korte route stiekem over een spoorbrug, dat ten strengste verboden is. Doe je dat niet dan moet je 10 km omlopen. Wat denk je dat we doen? De brug natuurlijk. We staan eerst een minuut of tien te twijfelen, wachten tot er een trein komt en daarna snel eroverheen. Het vervelende is dat er geen trein komt. We hebben geen dienstregeling. Er komen een paar andere pelgrims aan en die lopen zonder te aarzelen naar de overkant. Wij rennend erachteraan. Gered en geen trein gezien.

Hierna gaat de weg stijl omhoog en ik ben wel blij om in Santilliana del Mar te komen.

Dit is een Middeleeuws stadje met nog prachtige huizen en een soort kinderkopjes als bestrating.

Ik vind het een beetje op Valkenburg lijken. We zijn best vroeg hier en na een tukje nog een echte wandeling door dit prachtige stadje met zijn vele restaurants. Hier een uitstekend menu del dia gegeten.

Vandaag loop ik 22km naar Comillas. Het is een rustige etappe maar wel erg veel verharde weg. Het kan ook vaak niet anders. Ik heb er een behoorlijke hekel aan maar de pelgrim moet niet mopperen.

Onderweg komen we langs een oude vrouw die een tros bananen in de hand heeft. Iedere pelgrim krijgt een banaan van haar. Dat doet ze al jaren, echt zo ontzettend lief.

Dan is er ook nog een “beroepspelgrim”. De man met de witte baard komt uit Andalusië en brabbelt een onbekend taaltje. Hij loop al meer dan 30 jaar ieder jaar naar Santiago de Compostela. Heel op zijn gemak. Over twintig kilometer doet hij gewoon de hele dag. Komt in de alberque en gaat op zijn bed liggen. Eet nooit met ons mee. De banaan van de lieve vrouw nam hij wel aan. Wat en waar hij eet is een mysterie. Ik kom hele aparte figuren tegen op mijn weg naar SdC.

Links de Andalusiër en rechts Hugh

En zo ben ik dan in Comillas, een plaats aan de kust met een grote begraafplaats op een heuvel. Ik weet niet meer hoe de goede man heet maar het was een invloedrijk iemand. Hij bouwde dit kerkhof voor de gewone mensen zodat ze op een mooie manier begraven konden worden. Het kijkt helemaal uit op de zee. Heel indrukwekkend. Een levensgrote engel staat op het hoogste punt.

In Comillas staat ook een bouwsel van de beroemde architect Gaudí. Het kostte wel heel veel moeite om het pand te vinden

Morgen mag ik weer 29 km lopen naar Collombres.

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Einde van het vier maanden durende rondje Oostzee.

Weg van de camping. Vandaag niet zoveel kilometers. Het is een klein stukje naar Swinoujscie of zoals het vroeger heette, Swinemünde. Na anderhalf uur in de rij staan rijden we de pont op en varen naar de overkant van de Swina. Aan de stad gaan we voorbij en rijden door naar Duitsland en wel naar de oude Hanzestad Stralsund. Deze stad was een van de eerste leden van de Hanze. Ik zie de oude rijkdom. Veel historische bouwwerken. een prachtig stadhuis en drie grote kerken. De Alt Stadt staat op de werelderfgoed lijst van Unesco. Ik heb door de regen niet veel foto’s kunnen maken maar wel veel moois gezien vanonderuit mijn pluutje.

Oud huis niet meer bewoond in Stralsund
Deur van een van de kerken

Stralsund ligt eigenlijk aan de Oostzee maar wordt afgeschermd door het Eiland Rügen en voor dat eiland zijn we hier. We zijn een beetje aan de vroege kant maar als we geluk hebben gaan we veel kraanvogels zien die hier foerageren. Maar eerst gaan we naar Putgarden niet te verwarren met voor velen het bekendere Puttgarden. Bij de eerste plaats ligt Kaap Arkona. Dit is een steile 45 meter hoge krijtstenen kust. Het is een kwetsbaar gebied maar gelukkig mag je er niet met de auto komen. Zo’n drie km ervoor is een groot parkeer terrein waar je de auto moet stallen. Wij zetten Sprintertje er neer om ook de nacht hier te blijven. In het dorpje Vitte dat maar uit een paar huisjes bestaat heb je een goede kijk op de kaap. Op de kaap zelf sta je zo hoog dat je niets ziet van het krijtsteen. Zo lopen we een leuk rondje van 10 km.

Vitte
Kaap Arkona
Houten kunstwerk bij Arkona

Naast ons op het parkeerterrein staat een Zwitserse camper met daarin vader, moeder en drie meisjes. Het is ochtend en het lijkt wel of de meisjes huiswerk zitten te maken en dat klopt dus. Moeder spreekt ons aan, ze ziet op onze bus one year roadtrip staan en komt even een praatje maken. Zij doen dat ook met hun dochters. De man is fotograaf. Toch altijd leuk zulke mensen te ontmoeten.

Wij rijden door naar Schaprode en pakken daar campingplatz Am Schaprode Bodden, ja niet minder. De reviews op campercontact zijn niet helemaal lovend maar toch maar proberen. Het valt reuze mee. Nu en dat is al drie jaar begrijp ik nieuw sanitair en heel schoon. Er is een restaurantje bij waar je heerlijk vers huisgemaakte gerookte vis kan eten en voor een hele schappelijke prijs. Nu zijn we hier niet voor Schaprode maar we willen naar het eiland Hiddensee. Er gaat hier van Schaprode een ferry naartoe. Het eiland is autovrij, dus ook de bewoners hebben er geen auto, alleen een uitzondering voor een bus en wat landbouwwerktuigen. Ik heb er een filmpje gemaakt.

We hebben op een paar losse exemplaren na nog geen kraanvogel gezien en daarvoor zijn we hier toch. Van vriend Bart horen we dat we dan op Zingst moeten zijn. Daar rijden we naartoe. Het plaatsje op Zingst heeft dezelfde naam en we parkeren op een camperplaats bij strandafgang 6. Het is een echte surfcamperplaats, gewoon lekker rommelig. We zitten zo’n twee km van de haven en daar moet je staan om de kraanvogels te spotten. Gaan we lopen of trotteren? Het wordt trotteren oftewel met onze elektrisch ondersteunde klapfietsen, de Trotter. En daar horen we het trompetteren van de vogels al. Ze komen met honderden tegelijk en echt van alle kanten om hier aan de overkant op een veilige plek te overnachten. Overdag vliegen ze weer alle kanten op om te foerageren. Dit is eigenlijk een tussenstop op weg naar het warme zuiden. Het is wat ver om het goed te zien maar met de verrekijker is het een prachtig schouwspel. We staan op de dijk met misschien nog tien mensen te kijken naar deze voorstelling. Waar zijn al die mensen die we in de middag zagen in het stadje en op de pier? Geen interesse waarschijnlijk. Het stadje is uitgegroeid tot een behoorlijk mondaine badplaats met zeer luxe hotels en spa’s. Winkels van alle dure merken en veel eetgelegenheden. Wij genieten van de trekvogels en kijken hoe ze sierlijk landen en zijn blij dat we dit nog even hebben meegepakt. We blijven hier drie dagen en nemen afscheid van de Oostzee.

Slierten met trompetterende kraanvogels
Surfcamping
Allemaal leuke korven op het strand

Opaas vlog met filmpje van Zingst

Klik op de foto voor filmpje Zingst.

Hier stopt ons rondje Oostzee. We hebben de kusten van Zweden, Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen en Duitsland verkend. Een Oostzeekust en toch heel afwisselend.

Na vier maanden zijn wij bijna weer in Nederland. Er wachten daar weer leuke dingen op ons en als ik de tijd kan vinden dan wat nieuwe vlogs en gewone blogs maken. Bedankt voor alle reacties op de reisblogs.