Ik word wakker zonder wekker. Buiten is het nog stil.

Water koken, thee. Een beschuitje. Daarna koffie en de Volkskrant. Aan ons klein tafeltje in een bescheiden ruimte, ergens ver van huis, maar in een ritme dat vertrouwd voelt. Het lijkt of thuis meereist.

Drie maanden onderweg zijn klinkt als vrijheid, maar het leven wordt vooral eenvoudig. Opstaan, lezen, boodschappen doen. Wandelen. Koken. De dagen hebben een vaste vorm; alleen het uitzicht verandert. Vandaag een heuvel, morgen een dorpsplein. Het gewone leven, met andere muren.

Dat gewone is tegelijk het fijne én het lastige. Er zijn nieuwe ontdekkingen, mooie plaatjes om vast te leggen, zon op je gezicht. Tijd die niet duwt. Maar er is ook regen. Koude ochtenden waarop niets snel droogt. En na een paar jaar herken je het patroon: weer een wit dorp, weer een ruïne, weer die kustlijn. Mooi, zonder twijfel. En soms… gewoon.

Dan merk je hoe snel verwondering slijt als je haar als vanzelfsprekend beschouwt. Alsof reizen een belofte moet blijven inlossen.

Misschien zit het echte verschil niet in hoe ver je gaat, maar in hoe aandachtig je leeft. Vrijheid blijkt geen aaneenschakeling van bijzondere momenten, maar de ruimte om het alledaagse bewust te doen. Zelfs ver van huis. Zelfs in de regen.