Hoofdstuk 4

In 2010 liep ik van ede naar Santiago de Compostela

Mijn belevenissen heb ik beschreven en plaats deze hier in delen.

Zijn de Fransen nu echt aardig of…………….


Het postkantoor is net open en ik sta al binnen om het pakketje met daarin mijn goed ingelopen Hanwag schoenen op te halen. De vrouw achter het loket snauwt mij iets toe en ik begrijp dat ik moet zeggen wat ik kom doen. Nu heb ik een beetje geoefend in het Frans hoe ik moet formuleren wat ik kom doen. Volgens mij komt het goed uit mijn mond maar de vrouw begrijpt er helemaal niets van. Spreekt u Engels? Non. Daar sta ik dan. Achter mij al een flinke rij en de vrouw waar ik tegen praat begint steeds ongeduldiger te worden. Maar er komt hulp. Iemand uit de rij komt naar voren en blijkt een Belg te zijn. Hij vertaalt net zo makkelijk wat ik tegen hem in het Nederlands zeg en eindelijk begrijpt de vrouw het en gaat naar achteren. Even denk ik dat ze maar direct koffie aan het drinken is maar na een tijdje komt ze toch terug en zegt tegen de Belg dat het pakje niet hier is maar op een bijkantoor. Als ze vertelt dat dit dik 5 km hier vandaan is kijkt ze mij triomfantelijk aan. Ik bedank de Belg , groet de vrouw vriendelijk en loop die 5 km naar het bijkantoor. Het is wel precies de verkeerde kant op maar die 5 heen en weer terug moet ook wel kunnen.

Op het bijkantoor twee heel aardige meisjes die ook geen Engels spreken maar wel precies begrijpen wat ik bedoel. Ik krijg een schaar en maak het pakje open. Zo kan het dus ook.  Mijn Hanwags kijken mij aan en dat niet alleen. Er zitten ook tekeningen voor mij in gemaakt door de kinderen van de vriendin die het opgestuurd heeft. Een brok in mijn keel. 

Ik wissel van schoenen en stuur de lage terug naar Nederland. 

Wat zit dit comfortabel, de binnenkant voelt heel zacht aan en het lijkt weer of ik gedragen word, tenminste de eerste paar meters. Mijn voeten moeten nog helen en dat duurt nog wel even.

Het is begin mei en nog steeds prachtig weer. De hele maand april geen drup regen gehad. De GR’s die ik loop zijn juweeltjes. Ik loop een tijdje over een oude niet meer in gebruik zijnde spoorbaan. Helemaal overwoekerd door prachtige bloemen, het zal wel onkruid zijn maar zo’n schoonheid. Alle knoppen komen uit en overal nieuw leven. Wat is het voorjaar toch een mooi seizoen om te lopen. Wat een rust, ik loop dagen achtereen en kom geen mens tegen. Mijn stemmingen wisselen sterk. Van euforisch om hier te mogen lopen tot medelijden met mijzelf omdat het zo eenzaam is. Als ik weer eens in een dorpje kom, de GR loopt er vaak omheen en ik wat contact wil maken lukt mij dat niet echt. Zijn die “Fransen” nu echt zo nors? 

Het tentje dat ik bij mij heb ga ik nu voor de tweede keer gebruiken. Ik loop al zo’n 30 km en ik kom bij een camping. Het gekke is dat ik niet durf om het zomaar in de vrije natuur op te zetten,  best schijterig. Nu dus weer eens een camping.

Achter de balie van de receptie zit een man te bladeren in een stapel papieren. Ik groet hem keurig in het Frans maar hij reageert niet. Misschien doof? Ik begroet iets luider en nog niet. Eindelijk komt hij zuchtend overeind en komt naar mij toe met een gezicht van “had je wat?”. Als ik duidelijk maak dat ik alleen ben en wil overnachten lijkt het wel een gunst dat hij mij een plekje wijst. Niet echt een vriendelijke Fransman.

 Mijn tentje is echt een tentje en weegt maar 900 gram. Ik pas er net in samen met de rugzak en opblaasmatrasje. De eerste keer dat ik hem gebruikte vond ik het geen succes en nu helemaal niet. Als ik opsta ben ik zo stijf als de bekende plank en het tentje is zo nat dat ik met het water dat er afloopt makkelijk thee zou kunnen zetten. Ook de binnenkant is nat. De zon schijnt gelukkig al maar het is toch ná elven als ik hem weer droog in de zak kan stoppen. Hij krijgt een enkele reis per pakketpost naar huis met nog een aantal dingen die ik toch niet gebruik en mijn rugzak gaat van zestien kilo naar dertien. Scheelt toch behoorlijk.

Het kan ook anders. Een paar dagen later ben ik om 4 uur al op de plaats waar ik een hotelletje heb uitgezocht. Het is nog gesloten en gaat pas om zes uur open. Nu is een van de dingen die ik graag doe na een dag lopen een lekker koud biertje drinken. Dat heb ik dan verdiend, vind ik. Iets verderop is een terras en het biertje smaakt heerlijk. Aan een tafeltje naast mij zit een man die verdacht veel lijkt op Wally Taxs, die zanger. Lang sluik haar met scheiding in het midden. Hij kijkt naar mijn rugzak en vraagt of ik naar SdC ga, hij ziet natuurlijk de bekende schelp op mijn tas. 

Ja ik ben onderweg. Wil je een biertje van mij, vraagt hij. Dat kan ik niet afslaan. Beetje gezellig zitten kletsen maar dan moet hij weg, hij heeft een winkeltje verderop en dat moet open. Even later komt hij terug en vraagt of ik bij hem in de winkel nog een biertje kom drinken, veel goedkoper. Dat doe ik dus. Het winkeltje is gevestigd in een klein grijs pandje. Door het smerige winkelruit kan ik net zien dat er een paar oude computers in de etalage staan. Het is een computerreparatie winkel.

Niet alleen een winkel, het is tevens zijn woonhuis. Misschien ben ik niet zoveel gewend maar dit heb ik echt nog nooit gezien. Allemaal jampotjes tot de nok gevuld met shagpeuken en zoveel lege bierflesjes dat je van het statiegeld voor een week eten kan inslaan. Wat doe ik hier? Toch blijf ik en drink gewoon mee. Ik kan gewoon blijven slapen. Hij is best een gezellige prater en zeker na de vele biertjes kan ik er ook wat van. Het bier is op maar geen nood. Twee panden verder zit een tabak annex bar. We gaan daar naartoe en drinken weer verder. 

Er komt een man binnen en die gaat bij ons staan, Jules, Wally heet dus Jules, vertelt wat ik aan het doen ben en de man is helemaal enthousiast. Hij heeft een tweede huis hier in de buurt en daar kan ik ook wel slapen. Hij heeft net ham gekocht dus laten we met z’n drieën naar zijn huis gaan dan drinken en eten we daar nog wat. Mijn rugzak opgehaald en mee met Toin. Zijn auto staat om de hoek, een BMW tweezitter. Jules rijdt er in zijn eigen gammele auto achteraan. Kwartiertje rijden en we zijn er. We eten ham en drinken een soort cognac. Verder weet ik niet meer hoe ik in bed gekomen ben. Wat ik wel weet is dat ik om zeven uur uit bed moet want Toin moet naar een begrafenis.

Stipt om zeven uur wordt er aan mij gesjord en als ik mijn ogen eindelijk open krijg staat Toin al helemaal fris en fruitig voor mij. We rijden terug naar de tabac, ik krijg een espresso en een croissantje en Toin zet mij keurig bij het begin van mij route af.

Achteraf denk ik nog wel eens dat het heel anders had kunnen lopen, geld en spullen weg en ergens alleen achtergelaten maar dit waren echt gastvrije Fransen. Misschien toch bescherming van Saint Jacques?

Volgende keer: een onwaarschijnlijke ontmoeting en mijn foto’s verdwenen.

9 comments

  1. Misschien zou je het nu 9 jaar later niet meer doen maar een beetje vertrouwen in de mensheid kan natuurlijk geen kwaad.
    Blaren lopen wat een ramp is dat. Ik hoop dat ze genezen tijdens het lopen. Het lijkt me vreselijk met zoveel kilometers nog voor de boeg.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s