We slapen op een CP municipal van Aracena. Kaal, vlak, rustig. Geen voorzieningen. Precies goed.

In het oude centrum is de ingang van een grot. Volgens de bordjes zeker de moeite waard, net als de klim omhoog naar het kasteel. Vandaag doen we het niet. Soms is overslaan ook een keuze. Wij kiezen voor een rondje dehesa.

Net buiten Aracena zien we in een flits een grote hoeveelheid kurk liggen. De moeite waard om eens te kijken. Iets verderop keren en even later draaien we het terrein op van dat kurkverwerkingsbedrijf. Grote hopen schors liggen er opgestapeld. Het is de bast van de kurkeik, ruw en roodbruin, metershoog opgestapeld. Hier begint een proces dat vooral tijd nodig heeft. We mogen van de eigenaar even vrij rond kijken. Er ligt genoeg. Hoe werkt dat nou.

Hopen kurk schors
Stomen van de schors

De schors wordt van de boom gehaald zonder hem te beschadigen. Dat gebeurt eens in de negen à tien jaar. De eerste oogst levert nog geen bruikbare kurk op; pas vanaf de derde schilling wordt de kwaliteit goed genoeg. Wat hier ligt, blijft soms tot tien jaar buiten. Regen, zon en wind doen hun werk. Daarna wordt de kurk gekookt of gestoomd. Het stomen is bedoeld om insecten en schimmels te doden en het materiaal te reinigen. Pas daarna gaat het verder naar gespecialiseerde bedrijven. Vaak in Portugal of Catalonië.

De beste kwaliteit eindigt als wijnkurk. De rest krijgt een ander leven: isolatiemateriaal, vloerbedekking, design, bouw.

We rijden verder. De weg loopt steil omhoog en wordt steeds smaller. Het volgende dorp is prachtig, maar eigenlijk te krap om doorheen te rijden. Het past net.

Past net.

Links en rechts zien we varkens onder de kurkeiken scharrelen, altijd op zoek naar eikels. Iets verderop koeien, met ruimte. Dit is de dehesa: een cultuurlandschap waar bos, landbouw en veeteelt in elkaar grijpen, en waar alles traag gaat. Past helemaal bij ons.

We volgen het bordje Minas de Cala. Een bijna verlaten mijndorp. De meeste activiteit is verdwenen. Veel huizen zijn ruïnes. Bij een paar krotjes hoor je honden aanslaan. Er wordt nog gewoond, maar het leven is hier dun gezaaid.

Langs de oude spoorlijn loopt nu een via verde, een fiets- en wandelpad. Onverhard, vol kuilen. Dikke banden zijn hier geen luxe. Wij doen het met de Sprinter. Stapvoets. Over iets meer dan twintig kilometer halen we gemiddeld achttien kilometer per uur. Per fiets gaat waarschijnlijk sneller.

Onderweg zien we een koe die net gekalfd heeft. Ze likt het jong schoon, volledig geconcentreerd.

Na het geschud en het gehobbel komen we uit bij een stuwmeer. Midden in nergens staat een klein restaurant. Open. Heerlijke wijn. In dit natuurpark mag je niet overnachten, dus rijden we terug naar waar we vanmorgen begonnen zijn. De volgende dag rijden we weg en lijkt het of we op vierkante banden rijden. Nou niet vierkant maar wel een aan flarden. De weg was waarschijnlijk toch iets te ruw voor die ene band. Maar beter nu dan gisteren ergens in the middle of nowhere.

Echt plat en niet meer te gebruiken

Als afsluiter heb ik nog een video van de afgelopen tijd. Waarschijnlijk de laatste van de wat langere video’s die ik maakte.

Waarschijnlijk de laatste