We staan bij de resten van wat eens een rijke kloostergemeenschap was.

Hier dus.

Convento de Nuestra Señora del Rosal

In de zestiende en zeventiende eeuw groeide het klooster uit tot een rijk en invloedrijk religieus centrum. Adellijke vrouwen traden hier in en brachten flinke bruidsschatten mee. Het convent bezat landbouwgrond, molens, huizen en duizenden stuks vee. In de streek kreeg het zelfs de bijnaam het Vaticaan van La Alcarria.  

Op zo’n plek en met deze geschiedenis heb ik al snel een beeld van hoe het ooit geweest moet zijn

De koets stopt ratelend voor het klooster. Twee nonnen wachten al bij de poort. Het meisje stapt uit zonder iemand aan te kijken. Haar jurk is van dure stof, haar ogen rood van het huilen. Achter haar tillen knechten kisten uit de koets. Linnen. Zilverwerk. Geld. Een bruidsschat groot genoeg om een klooster jaren draaiende te houden.

Drie dagen eerder stond ze nog tussen de rozen in de tuin van het landgoed. De jonge tuinman hield aarde aan zijn handen en durfde haar nauwelijks aan te raken. Toch deden ze het. Het begon met een kus. De dag daarna nam hij haar mee naar zijn geheime plek die toch niet zo geheim was. Haar vader betrapte hen toen ze nog in een roes na het minnenspel tegen elkaar aanlagen.

Vader sprak die avond geen woord tijdens het eten. Haar moeder keek alleen naar haar bord. De volgende ochtend werd besloten dat hun dochter rust nodig had. Bezinning. Bescherming tegen de schande.

En zo verdwijnen rijke dochters soms achter dikke kloostermuren.

Dikke kloostermuren

Voor ons een fijne plek om te verblijven, maar ook hier vertrekken we weer, op naar een hele mooie route.