Ze zitten op de tweede trede van boven. Dicht tegen elkaar, een jongen en een meisje. Naast haar ligt een bos rode rozen. Alsof ze net zijn gegeven.

Hij kijkt diep in haar donkere glanzende ogen. Niet vluchtig, maar echt. Alsof er verder niets is.

De trap is breed. Ze nemen nog geen derde in beslag.

Naast de trap loopt een fietspad. Dat neem ik altijd. Beter voor mijn knieën.

Van de andere kant komt een vrouw aan met een rolkoffertje. Ze stuurt eerst op de trap af, remt af, kijkt omhoog en wijkt dan uit naar het fietspad.

Ik zeg dat het met die wieltjes een stuk makkelijker loopt.

Ze kijkt me aan. Kort. Hard.

Huhhh, daarboven zitten twee Marokkanen, daar kan ik niet langs.

Voor ik iets kan zeggen loopt ze door. Het koffertje ratelt achter haar aan.

Ik kijk weer naar boven.

Ze zitten er nog steeds. Dicht tegen elkaar. Hij zegt iets. Zij lacht.

De rozen liggen nu tussen hen in.

De trap is breed genoeg. Dat was hij net ook al.

Ik loop verder over het fietspad.