Hoofdstuk 14

Hoofdstuk 14.

Het zou kunnen door de onrustige nacht, niet een, maar meerdere snurkers en piepbedden,  iedereen is vroeg uit de veren. Rugzakken worden gepakt en men vertrekt. Ook de stille man die gisteren uit een andere richting kwam is al weg. Hugh en ik sluiten de boel af en gaan als laatsten op pad. Het is een verwarrend begin. Er wordt hier een snelweg gebouwd en we moeten hele stukken omlopen om weer op de goede weg te komen. Het is niet prettig lopen op de steentjes en stenen die als ondergrond voor de snelweg bedoeld zijn.

In de verte zien we de eerste pelgrims al weer lopen. Ons tempo is hoog en we halen er een paar in. Zo komen we ook langs de stille man die staat te puffen langs de weg. Lukt het? vraag ik, maar ik krijg geen antwoord. Het lijkt wel of hij mij  niet begrijpt. Hij wijst alleen maar vooruit, zo van ga maar door. Dat doen we dan ook.

Na 18 km komen we in Salas. Het is zondag en er is een processie. Eerste communie. In de RK kerk een feestelijke gebeurtenis. Kinderen in de leeftijd van 6-7 jaar mogen in de mis voor het eerst ter communie, ze krijgen ook de eerste keer de hosti (bleef altijd aan mijn gehemelte vast plakken) in de mond. Voorafgaand aan dit ritueel gaan de kinderen ook voor het eerst biechten. Hier in Spanje is het een echt groot feest. Je hebt speciale winkels waar je de kleding kunt kopen die ze moeten dragen. De meisjes als een soort bruidje en de jongens hebben een mini militair pak aan, compleet met koperen knopen. Hier komen we dus in terecht. Super druk. Alle kroegen zijn bijna gereserveerd voor de feesten die de families dan geven.

Wij vinden toch een plekje om wat te eten en te drinken. Het is hier ook druk maar wie zit daar aan de bar met een groot glas bier voor zich? De stille man, die we zo’n drie uur geleden gepasseerd zijn en die daar stond te hijgen. Een wonder op de feestelijke eerste communiedag? Nou nee, ik denk zomaar een taxi.

Vanaf de Spaanse grens heb ik alweer 448 km gelopen

Wij moeten nog 7,5 km door naar de alberque die we uitgezocht hebben. In het boekje staat: 21 bedden over drie kamers en er wordt gekookt en je kunt er ontbijten.

Het is nog wel een stevige klim, de alberque ligt weer op het hoogste punt, 635 m. Bijna iedereen van gisteren is er al, alleen de stille man niet en die zal ook niet komen. We worden ontvangen door een jonge Zwitserse hospitalero. De alberque is van zijn oom en hij blijft hier twee maanden om te hospitaleren. Er is ook een oudere man met veel ervaring en die kookt. We kunnen lekker een wasje draaien in de machine en dat is geen overbodige luxe. Alles wordt buiten opgehangen. Ik slaap boven op een soort overloop en gelukkig snurkt de Italiaan beneden, niet verkeerd.

Het is hier echt gezellig, we eten aan lange tafels. Uiteraard weer pasta, dat is voor zo’n groep het best te doen en met al die km die we lopen ook niet verkeerd.

Het Spaanse groepje jonge mensen begint te zingen en een van hen, een maatschappelijk werker uit Barcelona, stelt voor dat we allemaal iets uit ons eigen land of streek zingen. De Italiaan kan niet alleen snurken maar zeker ook prachtig zingen. Hij zingt iets uit een Opera en Pavarotti is er niets bij. Dit is moeilijk te overtreffen. Er is een stel uit het Baskenland die zingen een Baskvolkslied. Vier mensen uit Andalusië, ook iets in hun eigen taal. De twee Poolse vrouwen een duet en ja wat moet ik dan zingen. Het wordt tulpen uit Amsterdam. Niet helemaal onbekend.

Het unieke van deze situatie is dat je niets merkt van de verschillen die er zeker zijn in Spanje. De Catalanen, Andalusiërs en Basken gaan heel broederlijk met elkaar om en zingen zelfs nog samen een bekend Spaans nummer.

De avond vliegt voorbij en dan komt de vraag, hoe laat willen jullie op. Normaal staat iedereen op zijn eigen tijd op maar hier moeten we samen beslissen, hoe laat. Het wordt zeven uur. Voor die tijd mag er niemand uit zijn bed. De was hangt nog steeds buiten en het regent. Morgen is echt alles droog zegt de hospitalero, het zal wel en anders maar aan de rugzak hangen met de veiligheidsspelden die ik bij me heb.

Ik schrik wakker van een harde bel, nee hè, het is al zeven uur. Opstaan. Beneden ligt de was op een grote hoop nog warm van de droogtrommel. Uitzoeken maar.

Potten koffie en tostado’s op de tafels, we worden hier verwend. Zo heb ik het nog niet meegemaakt. Dit alles op donativo basis, je geeft wat je kunt missen en wat het je waard is. We zijn blij dat we gisteren niet al in Sallas gestopt zijn.

Dat groene shirt links is van mij. 2010 en ik draag het nog

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Start van de Primitivo

Hoofdstuk 13

Het is even zoeken maar toch staan we al vroeg voor de alberque in Oviedo. Alles is dicht en hij gaat pas om half vijf open. Er staan al een paar mensen te wachten. Om nu een paar uur daar voor zo’n gebouw rond te hangen is niet echt aanlokkelijk. We zetten de rugzakken in de tuin en gaan de stad in. Hugh moet wat zakelijke dingen regelen en gaat in een café zitten en ik ga deze stad eens bekijken.

Deze studentenstad is de hoofdstad van het prinsendom Asturië. Het is een stad die niet vol is met toeristen en het is de stad van de cider. Wat ook opvalt zijn de grote glanzende beelden die overal staan. Het moeten er ruim honderd zijn.

De grootste attractie blijft toch wel het cider schenken. Dat gaat zo. Je bestelt cider en dan pakt de ober een glas in zijn hand op dijbeenhoogte. In zijn andere hand de fles cider die hij met een gestrekte arm boven zijn hoofd houdt en daarvandaan giet hij wat cider in het glas. Niet zoveel want je moet het glas in een teug leegdrinken. Is je glas leeg dan weer hetzelfde ritueel.

Een goede ober schenkt zo van boven en morst geen druppel.

Mijn broek is stuk en ik zie een klein atelier. Binnen achter een naaimachine zit een vrouw te werken. Ik ga naar binnen en laat zien waar het stuk is. Peligrino? Vraagt ze. Si, antwoord ik. Ze begint in het Spaans te ratelen en te gebaren en ik begrijp dat ik mijn broek moet uittrekken. Ze pakt de broek aan en zet zich weer achter de machine en begint aan de reparatie. Daar sta ik dan in mijn onderbroek. Ze is rap en binnen een paar minuten kan ik hem weer aantrekken. Ik vraag wat het kost, nada, zegt ze met een dikke glimlach. Buen Camino. Het geeft mij een fijn gevoel.

Mijn broek wordt vakkundig gemaakt.

Tegen half vijf weer terug bij de alberque en het is goed dat onze rugzakken er al staan want de rij mede pelgrims is al aardig lang geworden.

Voor het eerst in deze alberque worden de vrouwen van de mannen gescheiden. We hebben aparte kamers. Ik bemachtig een onderbed. Vooral als je s’nachts eruit moet is dat wel handig. Boven mij komt een man te liggen die binnenkomt in een soort camouflage kleding en een enorme rugzak. Hij legt zijn slaapzak op het matras en verdwijnt weer net zo stil als hij binnenkwam.

Ik doe even een tukje en ga daarna met Hugh op pad om wat te eten. Gewoon een stukje eten gaat op dit tijdstip niet dus er zit niets anders op dan wat te gaan drinken. De gewoonte is hier dat bij elk glas drank dat je bestelt er een tapas zit. Vaak wel wat zoute dingen zodat je dorst houdt. In een smal straatje komen we terecht in een drukke bar. Buiten staat het vol mensen met een drankje in de hand. De man van het bovenbed zit alleen aan een tafeltje en er staan nog twee stoelen naast. Hugh en ik schuiven bij hem aan. Het is een Brit, Jake. Even voorstellen, hij heeft eerst in het Britse leger gezeten, eenheid special boot service, een elite eenheid waar alleen de best getrainde mannen inzitten. Na vele geheime missies is hij overgeplaatst naar een speciale eenheid van de politie. Tot dat het hem allemaal teveel werd, er helemaal doorheen zat en uiteindelijk afgekeurd, nog geen vijftig. Allerlei therapieën gevolgd maar niets helpt echt. Uiteindelijk komt hij in Nederland terecht bij ene Greet. Dat helpt hem echt en door haar is hij nu als pelgrim onderweg naar Santiago. Begonnen in Engeland. Hij vertelt dit om dat ik uit Nederland kom en ook als therapie om er zoveel mogelijk over te praten. Op de klok kijkend moeten we opschieten want om tien uur gaat de deur van de alberque op slot. We zijn net op tijd.

Lekker buiten met je drankje

Die nacht als ik een tijdje wakker lig staat Jake opeens naast zijn bed. Ik heb niets gehoord. Normaal is het een gestommel als er iemand uit zijn bed komt maar nu hoorde ik niets. Het lijkt wel een kat. Ik zie hem met z’n slaapzak de kamer uit sluipen en hij komt niet meer terug. Het was te warm en hij heeft buiten geslapen, vertelde hij s’morgens.

Vandaag lopen we naar San Juan de Villapañada, dit is iets meer dan 28,5 km. Het is nog een hele toer om de stad uit te komen. Er liggen wel overal van die koperkleurige schelpen in het trottoir maar er lopen diverse routes. Na een beetje heen en weer gedrentel, zitten of eigenlijk lopen we weer op de goede route. Het parcours is niet al te moeilijk, wat heuvelachtig terrein maar het aantal km gaat toch wel in mijn benen zitten.

De alberque ligt zo als gewoonlijk wat buiten het centrum. Wij komen rechts aan maar van de andere kant komt er ook een pelgrim aangesjokt. Hij moet ook bij de alberque zijn.

Het gebouw ligt iets op een heuveltje en heeft een ruimte met tien stapelbedden en een grote woonkeuken. De een na de andere pelgrim komt binnen. . De meeste Spanjaarden maar ook twee Poolse vrouwen. Een van de Spanjaarden is kok en hij gaat heerlijke spaghetti met tomatensaus maken. We zitten met z’n achttienen aan tafel. Weer andere mensen hier dan in Oviedo. De meesten die daar aan hun camino beginnen lopen de eerste dag tussen de 10 en 15 km. Beetje opbouwen.De Itäliaan is er wel en met 18 personen in een toch wat benauwde ruimte zal het geen rustige nacht worden.

Alberque

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Het einde van de Camino del Norte

Het is bloedheet. Het doel van vandaag in Colombres. Vooral het laatste stuk is zwaar. Niet dat de weg onbegaanbaar is, het is veel verhard lopen maar vooral veel stijgingen. Ook hier is het eindpunt weer ergens op een top. In Colombres zijn twee plekken om te overnachten. Een alberque particular en een geïmproviseerde slaapplaats in een sporthal. Ik kies toch maar voor de eerste. Tweepersoons kamers en lekkere douches. In eerste instantie zijn Hugh en ik de enige pelgrims die hier zijn maar een uurtje later komt het Tsjechische paar hier ook. Ze zijn blij dat ze eindelijk weer eens een kamer voor hen zelf hebben. Het is een leuk vrolijk stel. We gaan met z’n vieren eten en ze vertellen over hun leven. Van het jaar dat ze nu getrouwd zijn, zijn ze misschien een maand bij elkaar geweest. De vrouw is verpleegkundige en werkt fulltime in een ziekenhuis en de man is ICTer en werkt in Duitsland. Het salaris in Tsjechië is zo erbarmelijk laag voor verpleegkundigen en voor de man is er geen werk zodat hij wel verplicht in het buitenland moet werken, willen ze samen iets kunnen opbouwen. Daarom is deze reis naar Finisterre zo belangrijk voor ze. Dat soort problemen kunnen wij ons bijna niet voorstellen in ons welvarende, vol met zeurende mensen, land.

Het Tsjechische paar

Naar Santiago lopen is niet alleen maar lopen, onderweg zijn er veel plekken waar je de tijd voor moet nemen om die te bekijken. Hier in Colombres is dat zeker het Museo de la Emigratión. Het is al een prachtig gebouw aan de buitenkant en binnen kun je op drie verdiepingen de geschiedenis tot je door laten dringen van de vele emigranten die naar vooral Zuid-Amerika vertrokken. Het museum is gebouwd door de emigranten die het in de verre gemaakt hebben.

Een van die avonturiers was Iñigo Noriega Laos. In 1867 vertrok hij op veertienjarige leeftijd uit Colombres naar Mexico. De reis er naartoe, natuurlijk per schip was een verschrikking maar eenmaal in zijn “beloofde” land ging het een stuk beter. Hij werd een van de rijkste zakenmannen van Mexico. Daar bouwde hij ook een stad die hij Colombres noemde. Hij was een van de geldschieters van dit museum. Voor hem kwam er een nogal vervelend einde aan zijn leven. Tijdens de revolutie werden al zijn bezittingen onteigend en hij stierf op 67 jarige leeftijd.

Ik heb toch wel een paar uur vertoefd in dit museum en kon mijn fantasie de vrije loop laten.

Zomaar. Een herderin onderweg

Weer op de camino en op weg naar het 23 km verder gelegen Llanes. Op deze route had ik de keus voor een kortere route langs de weg of een wat langere en moeilijker langs de kust. Het werd de kust en daar heb ik absoluut geen spijt van gehad. Wat een mooie uitzichtpunten hier over de baaien en zee. Het is eigenlijk een GR de E-9 en ik moet alleen de rood-witte markering maar volgen om goed te lopen.

Iets voor mij loopt zo te zien een medepelgrim. Hij blijft vaak stil staan om een selfie te maken. Ik praat over 2010, toen zag je dat nog niet veel. Een kleine camera, eerst even zijn haar kammen, goede pose aannemen en klik. Hij blijkt een Italiaan te zijn, Sandro. Hij ziet er piekfijn uit, wit haar en dito keurig verzorg baardje. Dit is de eerste ontmoeting met Sandro en er zullen er nog veel volgen want hij loopt dezelfde route en tempo.

Die avond ook voor het eerst in een en de zelfde kamer. Is dat erg? Prettig is het niet want Sandro heeft een bijzondere eigenschap. Hij kleed zich uit, gaat even op de zijkant van zijn bed zitten, het lijkt dat hij dan bidt, gaat liggen en binnen 30 seconden begint hij te snurken dat het lijkt of je in een mega varkensstal bent. Zo gaat dat iedere avond. Als er meer kamers zijn zorg ik er voor niet in zijn kamer te liggen. Als er een kampioenschap snurken zou zijn wint deze man met ruime voorsprong.

Toch nog wel wat geslapen en de volgende dag vroeg weg. Vandaag lopen we naar Ribadesella toch bijna dertig km.

Deze stad ligt pal aan zee en de rivier de Sella mondt hier uit. We zijn pas laat in de middag hier maar gaan toch even naar de zeekant om een duik te nemen. Ik heb geen zwembroek bij me maar in een Odlo onderbroek is het ook goed zwemmen. Het water is nog wel koud maar na zo’n dag lopen knap je wel op van een duik.

Na nog een paar dagen lopen hier langs de kust besluit ik om verder te gaan op de camino Primitivo.

In het gehucht Casquita kun je of doorgaan met de Del Norte of afbuigen naar Oviedo en dat laatste doe ik.

De Primitivo loopt door Asturias en Galicië.

Deze camino is waarschijnlijk de allereerste weg naar Santiago de Compostela. Vandaar ook de naam Primitivo, die ook de Oorspronkelijke genoemd wordt. Het verhaal wil dat Alfonso 11 el Castro in de 9de eeuw deze weg nam om te kijken bij het pas ontdekte graf van de apostel Jacobus. Hij moest wel over deze weg omdat de andere wegen nog bezet waren door de Moren. De Primitivo wordt ook genoemd als de zwaarste camino. Het binnenland van Asturias is erg hoog dus veel stijgen en dalen.

Tot zover dus de Camino del Norte. Een pittige camino maar dat zijn ze allemaal eigenlijk wel.

Volgende week lopen over de camino Primitivo.

Prachtig zicht op de zee langs de Camino del Norte

Camino, dagelijkse routine?

Vanaf de plaats waar ik begon, Wissant, ben ik nu zo’n 1200 km gevorderd. Het is niet meer voor te stellen dat het begin voor mij zo moeilijk was. Die narigheid met mijn voeten en scheenbeen. Sinds ik op de schoenen loop die ik heb laten opsturen heb ik geen centje pijn meer. Mijn voeten zijn genezen en ik heb geen blaar meer gehad. Dit is heel anders lopen. Door gemiddeld 25 km per dag te lopen is mijn conditie steeds beter geworden en is top. Dat wil nu ook niet zeggen dat het makkelijk is, als ik na 6 tot 8 uur lopen aankom op mijn dagbestemming ben ik toch wel blij dat ik er ben. Het is heel apart maar in de meeste gevallen liggen de alberques aan het einde of iets buiten het dorp en op het hoogste punt. Het is net een wielerwedstrijd, de finish is dan ook pas na een laatste moeilijk stukje.

 De dagen zijn eigenlijk allemaal hetzelfde heel basic. Ze beginnen vroeg, meestal voor zevenen het bed uit. Wassen, aankleden, de rugzak weer inpakken en het papieren onderlaken en sloop weggooien. Klaar om weer een dag te lopen. Als er iets open is eerst wat eten en koffie of anders lopen tot er wel iets is. Onderweg wat fruit en chocolade kopen, stokbroodje en wat beleg. Meestal van die driehoekskaasjes, La Vache Qui Rit. Makkelijk en je hebt met zo’n doosje gelijk voor een paar dagen iets op je brood. Ik kan ze nu niet meer zien.

Weer lopen tot het tijd wordt voor een menu del dia. Ik doe dat het liefst aan het begin van de middag. In Spanje kun je pas laat s’avonds eten en dan lig ik met zo’n volle maag in bed. Het nadeel is wel weer dat bij een dagmenu dat negen euro kost, ook een halve fles wijn inbegrepen is. Wel lekker maar er moet nog gelopen worden. Dat doe ik dan ook tot ik bij de alberque ben.

Inschrijven en een stempel op mijn kaart, bed uitzoeken of aangewezen krijgen. Papieren hoes over het matras en kussen en eigen slaapzak erop. Schoenen en sokken uit en dan als eerste een heerlijke douche. Dat is zo lekker, ik sta onder de hete straal, mijn ogen dicht en het lijkt of met het water dat in het putje wegloopt ook mijn vermoeidheid door dat zelfde putje verdwijnt. Avondkleding aan en nog even een handwasje doen, in ieder geval een van de drie sneldrogende onderbroeken die ik bij mij heb.

Meestal ga ik dan een klein tukkie doen en sta na een half uur weer fris naast mijn bed. Het stadje of dorp wat verkennen en een consumptie nuttigen.

Dagboek schrijven en de foto’s bekijken die ik geschoten heb. Als er WiFi is wat tien jaar geleden lang niet overal was, een tijdje Skypen met mijn lief.

s’Avonds wat kletsen met de medepelgrims en vroeg naar bed. Dat is het wel zo’n beetje en dat iedere dag. Het lijkt wel werk maar dan anders en dat is het zeker.

Ik maak mij bijna nergens meer zorgen om, de enige zorgen die ik heb zijn , kan ik ergens eten en  slapen want ik weet nooit precies waar dat kan. Is de alberque waar ik wil slapen vol dan moet ik door of als ik net wil eten is die winkel of restaurantje dicht.

 Het fijne van lopen is voor mij dat ik opga in de natuur. Ik zie en ruik alles veel beter. Een horloge heb ik niet nodig. Ik loop niet op tijd maar gewoon wat ik aankan. Of ik nu 6 of 9 uur doe over 25 km, ik moet niet op een bepaalde tijd ergens zijn en dat geeft zo’n gevoel van vrijheid. Zo loop ik mijn dagen en ik zie wel wanneer ik aankom op mijn eindbestemming, Santiago de Compostela.

Als er niets open is dan zelf maar iets maken.

Hugh en ik lopen achter elkaar op een smal paadje als we voor ons een vrouw en een man zien. De man loopt niet lekker, hij loopt scheef net of hij op een been wil lopen. Ze hebben rugzakken om dus het zullen wel medepelgrims zijn. Als we dichterbij komen zien we dat de man op teenslippers loopt. Als pelgrim loop je nooit andere pelgrims zomaar voorbij, nee je maakt een praatje. De vrouw en de man zijn Amerikanen. Ze zijn pas een week onderweg en de man kan zijn loopschoenen niet meer aan van de ontstekingen. Dat doen we wel even dachten ze en de eerste dag liepen ze direct al 45 km. Niet getraind en dan vol er tegen aan. Overbelasting.

Waar zijn jullie begonnen, vraagt de vrouw.

Ik in Bilbao en hij, ik dus, in Noord Frankrijk. Hij heeft er nu 1200 km opzitten zegt Hugh.

Twaalfhonderd km vraagt de vrouw ongelovig. Hoe kun je er dan zo stralend uit zien.

Dat doet de camino dus met mij, ik heb het zo naar mijn zin dat dat ook uiterlijk te zien is en zo voel ik mij ook, stralend.

Hugh en ik lopen door en ik denk na over de opmerking van deze vrouw. In Frankrijk waar ik alleen liep en verschrikkelijk heb afgezien heb ik mijn psychische bagage kunnen wegwerpen en nu is het genieten met alleen mijn fysieke bagage.

Camino del Norte

Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Gloria, een verwoestende storm

Na een paar prachtige weken hier aan de Costa Blanca waar we aan het overwinteren zijn is het weer dramatisch omgeslagen.

Hier nog mooi weer en de amandelboom al in bloei

De Spaanse overheid kondigden code rood aan. Gloria komt eraan.Het gesprek natuurlijk hier op camperpark Costa Blanca waar de campers keurig in het gelid staan. Een dag ervoor worden er al voorzorgsmaatregelen genomen. Ook wij doen er aan mee. De vouwfietsen, buitenkeuken en stoelen naar binnen onder het bed.

Het geeft wel een prachtige regenboog

De voorspelling klopt precies. The weather Channel kondig om 4 uur PM regen aan en exact om vier uur begint het te regenen en niet zo’n beetje ook. De lucht is bijna zwart en de wind neemt in kracht toe. De hele avond zitten we al te schudden in onze stoelen en stellen het naar bed gaan maar even uit. Houden we de kleren aan als we toch maar naar bed gaan? Nee gewoon zoals iedere nacht. Maar toch bitter weinig geslapen. We krijgen zulke oplawaaiers. De regen striemt keihard door Gloria tegen de zijkant van Sprintertje. Ik heb het gevoel dat hij op zijn kant gaat. Maar Sprintertje doet wat er van hem verwacht wordt en houdt stand. Tegen zevenen neemt de kracht af en ik val nog even in slaap. Hier op het camperpark is geen schade. We gaan beneden eens kijken aan de strandkant.

Het weggetje waar we meestal overheen lopen kunnen we niet door. Er zit een afdaling in die daarna weer steil omhoog gaat. Beneden loopt water door als een rivier. Omlopen en dan een paar km lekker lopen. De boulevard staat onder water en de golven spuiten hun water en stenen nog over de rand. Stukken weg zijn veranderd in kiezelwegen, allemaal zo uit zee gegooid. Het is wel een mooi indrukwekkend gezicht maar best veel schade.

Ben ik nu een ramptoerist?

Het is nu wat rustiger maar we moeten tot donderdag wachten voor de zon weer is terug gekeerd.

Bekijk hier de video Gloria

Als het weer wat beter wordt kan er weer gewandeld worden zoals bv naar de markt in Altea. Ik heb daar een vlog over gemaakt. Meer vlogs zien van LekkerLopenTV? Abonneer je dan op dit kanaal. https://www.youtube.com/watch?v=m3KqP5flZWk&feature=share

Hugh

Hoofdstuk 10

Hugh

Na een zeer onrustige nacht in de benauwde ruimte waar geen raam open mag ga ik toch maar weer op pad voor de 23 km naar Mogro. Voor zessen is het al een drukte van belang en dringen bij de wc’s en douches. We lopen om zeven uur al buiten en het duurt even voor er een tentje open is voor een desayuno. Echt wakker worden van een goede kop koffie.

Het is eerst veel asfalt maar dat hoort er nu eenmaal ook bij.

Jean heeft echt haast want die is in no time verdwenen. Hugh en ik hebben een wat rustiger tempo.

Hugh woont in Australië en praat dan ook die typische taal. Het is even wennen maar goed te doen.

In Sydney heeft hij een Apple service bedrijf en iedere winter daar gaat hij drie maanden naar Europa. Vorig jaar liep hij zijn eerste camino en direct al een pittige, de Via de la Plata. Deze loopt van Sevilla naar ScC. Nu is hij wel wat hitte gewend en ging deze camino in juli doen. Bloedheet. Het voordeel is dat er bijna geen mens deze route in die tijd doet.

Het heeft niet zoveel met mijn camino te maken maar ik vind het zo apart dat ik het toch vertel.

Hij begint de eerste dag in Sevilla samen met een vriend. Deze heeft het goed voorbereid en vertelt Hugh hoe er gelopen moet worden. Dat gaat natuurlijk verkeerd.

Verkeerde weg bij de start en ze moeten door het water waden. Na een paar dagen kan die vriend niet meer en zegt, ik moet een paar dagen rust, ga jij maar verder ik kom je wel achterna met OV. Na een week komt er een bericht uit Engeland waar hij woont, ik ben maar naar huis gegaan het is niets voor mij. Hugh was door hem overgehaald om te gaan lopen.

Intussen loopt Hugh met een Duitser, Heinz, hoe Duits kan je zijn. Een man van net zestig die kanker heeft. Hij is uitbehandeld en hij wil speciaal naar SdC lopen. Zijn familie is het daar niet mee eens maar hij gaat toch.

In een alberque waar ze met z’n tweeën zijn komt er nog iemand binnen, een fietser. Dit is een Spanjaard en heet Manolo. Zijn fiets is stuk en hij besluit om een dagje mee te lopen. Dat bevalt hem zo goed dat hij naar huis belt, hij woont in Sevilla en is daar taxi-chauffeur, voorlopig kom ik niet thuis, ik ga niet fietsen maar lopen naar SdC.

Zo gaan ze gedrieën op weg. Hugh spreekt alleen maar Engels, Heinz alleen Duits en Manolo alleen Spaans.

Het is een zware route met lange afstanden (ik heb hem ook gelopen) en Heinz krijgt het steeds moeilijker maar hij wil zijn tocht afmaken.

Deze mannen krijgen zo een hechte band, Hugh en Manolo doen er alles aan om het voor Heinz mogelijk te maken om de kathedraal in SdC te halen.

Manolo draagt niet alleen zijn eigen spullen, hij draagt ook de rugzak van Heinz. Uiteindelijk halen ze de eindstreep. Heinz is op maar o zo gelukkig. Dit was de reis die hij altijd al wilde maken, drie maanden later begon hij aan zijn laatste reis, die naar een andere wereld.

Je zou hier zo een mooie film over kunnen maken. Een waar gebeurd verhaal.

In Mogro zit Jean al aan zijn biertje en aan de ene sigaar die hij per dag rookt. Een man van vaste gewoontes zelfs hier op de camino.

De volgende dag is een wat kortere afstand. Ik loop naar Santilliana del Mar, het is ongeveer 19 km.

Nu is de korte route stiekem over een spoorbrug, dat ten strengste verboden is. Doe je dat niet dan moet je 10 km omlopen. Wat denk je dat we doen? De brug natuurlijk. We staan eerst een minuut of tien te twijfelen, wachten tot er een trein komt en daarna snel eroverheen. Het vervelende is dat er geen trein komt. We hebben geen dienstregeling. Er komen een paar andere pelgrims aan en die lopen zonder te aarzelen naar de overkant. Wij rennend erachteraan. Gered en geen trein gezien.

Hierna gaat de weg stijl omhoog en ik ben wel blij om in Santilliana del Mar te komen.

Dit is een Middeleeuws stadje met nog prachtige huizen en een soort kinderkopjes als bestrating.

Ik vind het een beetje op Valkenburg lijken. We zijn best vroeg hier en na een tukje nog een echte wandeling door dit prachtige stadje met zijn vele restaurants. Hier een uitstekend menu del dia gegeten.

Vandaag loop ik 22km naar Comillas. Het is een rustige etappe maar wel erg veel verharde weg. Het kan ook vaak niet anders. Ik heb er een behoorlijke hekel aan maar de pelgrim moet niet mopperen.

Onderweg komen we langs een oude vrouw die een tros bananen in de hand heeft. Iedere pelgrim krijgt een banaan van haar. Dat doet ze al jaren, echt zo ontzettend lief.

Dan is er ook nog een “beroepspelgrim”. De man met de witte baard komt uit Andalusië en brabbelt een onbekend taaltje. Hij loop al meer dan 30 jaar ieder jaar naar Santiago de Compostela. Heel op zijn gemak. Over twintig kilometer doet hij gewoon de hele dag. Komt in de alberque en gaat op zijn bed liggen. Eet nooit met ons mee. De banaan van de lieve vrouw nam hij wel aan. Wat en waar hij eet is een mysterie. Ik kom hele aparte figuren tegen op mijn weg naar SdC.

Links de Andalusiër en rechts Hugh

En zo ben ik dan in Comillas, een plaats aan de kust met een grote begraafplaats op een heuvel. Ik weet niet meer hoe de goede man heet maar het was een invloedrijk iemand. Hij bouwde dit kerkhof voor de gewone mensen zodat ze op een mooie manier begraven konden worden. Het kijkt helemaal uit op de zee. Heel indrukwekkend. Een levensgrote engel staat op het hoogste punt.

In Comillas staat ook een bouwsel van de beroemde architect Gaudí. Het kostte wel heel veel moeite om het pand te vinden

Morgen mag ik weer 29 km lopen naar Collombres.

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Mijn fles is halfvol

Hoofdstuk 9

Het is half acht en ik loop al buiten. Vandaag is de afstand naar Güemes29 km. Zeg ik loop 5 km per uur dan is het toch zeker 6 uur later en met rust mee al snel 8 uur later, daar aankomen. In Spanje zijn de cafetaria’s al vroeg open en dat is maar goed ook. Een cortado om goed wakker te worden en voor mij meestal een bocadillo, een belegd broodje. Na een kwartier loop ik weer buiten. Ik heb er zin in. Vandaag lekker alleen lopen. Samen met iemand lopen is vermoeiender , allereerst omdat je meestal niet dezelfde taal spreekt en je stemt het tempo toch op elkaar af.

Het is warm en ik ben vergeten mijn waterfles te vullen. Hij is maar halfvol. Ik moet mij vaak dwingen om genoeg te drinken, ik denk er gewoon niet aan. De camino loopt langs een grote gevangenis en als ik hier zo loop denk ik oei, blij dat ik hier mag lopen en niet daar achter die muren zit.

In een dorpje gaat het mis, geen teken meer te zien. Ik dool wat rond en vraag aan een man met een Duitse herder aan de lijn of hij misschien weet waar de camino loopt. Ja dat weet hij wel, hij wijst mij een richting aan naar een pad dat naar boven loopt. Nu loopt de camino vaak ergens naar boven dus dat geeft vertrouwen. Het pad gaat over in een kale vlakte met allemaal takken erop. Daarachter is weer een bos en dat lijkt het hoogste punt te zijn. Het gaat behoorlijk stijl naar boven. Het is inmiddels bloedheet en de laatste druppel water heb ik uit mijn fles geperst. Boven bij het bos is dit niet het hoogste punt, het loopt door en wordt steeds onbegaanbaarder. Dit kan niet goed zijn. Ik ga de zelfde weg terug. Dit is in ieder geval niet de pelgrimsweg. Ik volg de weg en kom in een volgend dorpje.

Mijn mond lijkt wel een leerlooierij. Het is siësta tijd en alles is gesloten. Dan kom ik bij een huisje waar de woonkamer een winkel lijkt. De deur staat open en ik ga naar binnen. Mag ik water? Waarschijnlijk zie ik er behoorlijk droog uit want de man rent weg en komt terug met water. Wat is dat lekker.

Ik krijg een stoel en natuurlijk vraagt de man waar ik vandaan kom. Uit Holanda zeg ik. De man roept zijn vrouw erbij en zegt tegen haar dat ik uit Holanda kom.

Het kan niet meer stuk. Zij zijn op huwelijksreis geweest naar Volendam, ja niet Amsterdam maar Volendam. Fotoboeken worden tevoorschijn gehaald en ik zie het stel in Volendams kostuum en op klompen en op alle bekende plekjes. Ik krijg wat te eten en een lekker koud biertje.

Ik ben weer helemaal fit en volg de weg naar Güemes niet de officiële camino maar gewoon langs de tweebaansweg. Waarschijnlijk iets korter want ik ben al om half drie bij de alberque van Ernesto.

De alberque van Ernesto is een verhaal op zich. Het is een prachtig gebouw en het ouderlijke huis van Ernesto. Bij binnenkomst word ik begroet door een vrijwilliger en krijg een ijskoud glas water. Het is nog rustig en ik kan een lekker beneden bed uitzoeken. Tijd om een handwas te doen en heerlijk relaxen in de riante tuin. Liggend in het gras slaap ik al snel. In mijn droom hoor ik de stem van Jean, ik doe mijn ogen open, het is geen droom, het is hem echt. Omdat ik het eerste stuk met de metro heb gedaan is hij en Hugh achter mij gekomen en nu ook hier aangeland. Toch ook wel weer leuk.

Vlak voor we gaan eten komt Alex ook binnen.

Boven in de alberque is een ruimte ingericht als een soort museum met alles over de camino, fotoboeken, krantenartikelen en vooral positieve recensies over de alberque van Ernesto.

Er wordt door vrijwilligers gekookt en wij als pelgrims nemen plaats achter lange tafels en laten ons verwennen. Voor we gaan eten houdt Ernesto een lange preek. Hij hoort zichzelf graag praten begrijp ik. Het eten is heerlijk en dat alles op donativo basis. Je geeft een bedrag dat je kunt missen en wat het je waard is. Deze nacht geen snurkers en de volgende dag na een lekker ontbijt neem ik afscheid van Ernesto en ga samen met Jean en Hugh op pad.

Ernesto
Jean, ik en Alex

Güemes naar Santander een makkelijk dagje vandaag. Je kunt er op drie manieren komen maar ik kies voor de kortste en mijn twee kompanen lopen mee. We moeten een water over en dat gaat toch het makkelijkst met een boot. Op deze manier zijn we al vroeg in Santander en de kleine alberque is nog gesloten. Alberque Santos Martires heeft 38 bedden en deze staan allemaal in een kamer. Er staat inmiddels al een behoorlijke rij om een slaapplek te bemachtigen. We sluiten maar aan en voor mij staat een jong stel uit Tsjechië. De vrouw heeft een rugzak waar die van mij nog wel bij kan. Ze is mooi opgemaakt en wil hier in Santander met haar man aan de camino beginnen. Ze zijn bijna een jaar getrouwd en op hun huwelijksdag zei de man tegen haar “ik zal je overal volgen al is het naar het einde van de wereld”. Oké dat is goed zij de vrouw, dan gaan we volgend jaar lopen naar Finisterre, het einde van de wereld. Zo beginnen ze vandaag aan deze trip hier in Santander.

Hoe zwaar is je rugzak vraagt Hugh aan haar.

Een en twintig kilo, antwoord ze.

Hoe zwaar ben je zelf?

Vijftig misschien een en vijftig.

Dan moet je echt niet met dat gewicht gaan lopen, wat heb je allemaal bij je?

En daar komt er een opsomming. 4 paar schoenen, 5 complete sets aan kleding, 2 warme truien, föhn en een doos met opmaakspullen en dan nog slaapmatje en slaapzak.

Hugh heeft de Via de la Plata(Sevilla naar SdC) al gelopen en heeft dus wel wat ervaring op het gebied van wat wel en wat niet meenemen.

Ze gaan samen aan de slag en meer dan de helft gaat eruit en dat zal ze naar huis sturen.

Wat een uur in de rij staan toch nog kan opleveren.

Deze alberque is de kleinste die ik tot nu toe ben tegengekomen. De stapelbedden staan helemaal tegen elkaar aan en er zijn maar twee wc’s en twee douches voor 38 mensen. Niet zeuren Harry, je hebt in ieder geval een bed.

Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Naar beneden scrollen en je ziet de andere hoofdstukken.

Jean

De fietsers staan al om zes uur op en dat gaat niet geheel geruisloos. Ik probeer mij nog een keer om te draaien want door het gesnurk om mij heen heb ik niet best geslapen. Met z’n tienen in een toch wat kleine ruimte is wel wennen. Slapen lukt niet meer, ik daal van mijn bed af en ga naar de badkamer om een douche te nemen om goed wakker te worden. Bij deze alberque kun je ook ontbijten, dat betekent mijn maag wat vullen met een soort cakes en koffie of in ieder geval de kleur van koffie heeft.

Het is iets na zeven en ik loop al buiten. Niet alleen maar met Jean. 

De weg gaat direct al de hoogte in naar de top van de Monte Igueldo .  Onderweg zou ik een fantastisch zicht hebben op het laag gelegen San  Sebastián. Ik volg het pelgrimspad naar boven in de stromende regen. Het is koud en door de regen is het zicht naar beneden nihil. In Frankrijk in zes weken maar anderhalve dag regen gehad en nu in Spanje begint het al lekker.

Naar boven lopen is mijn specialiteit maar ik voel de adem van Jean in mijn nek, zo dicht zit die achter mij. Naar beneden lijkt hij wel een berggeit, ik kan hem niet bijhouden. 

Als ik aankom in Zarautz zit Jean al aan een biertje. Het zij zo.

Dat bij aankomst in de dagbestemming een biertje nemen is een gewoonte die wij beide delen. Dat is waarschijnlijk wel het enige dat wij delen.

Jean is 70 jaar en al heel lang gepensioneerd. Hij werkte altijd off-shore in de olie en stopte met werken toen hij 48 jaar oud was. Hij spreekt wel goed Engels dus we kunnen goed converseren. Het is een tanige man met o benen en draagt altijd een soort cowboyhoed. Alles in Frankrijk is beter dan waar ook ter wereld. 

Als ik de bij ons bekende Holsteiner koe zie( die zwart-wit gevlekte) wordt die direct afgekraakt, de Franse koeien zijn veel beter. Dit is maar een voorbeeld, het gaat met alles zo. Ik loop nu drie dagen met hem maar ik ben nog niet op het punt om te zeggen dat ik verder alleen loop. Komt misschien nog. Jean heeft haast want in Oviedo sluit zijn vrouw aan die verder met hem mee zal lopen. Die datum staat vast.

Ik ben bijna in Bilbao. Ik zie het al recht voor mij liggen maar de camino gaat nooit rechtstreeks. De camino gaat eerst nog een berg op. Hoe verzint een vroegere pelgrim nu om het moeilijkste pad te nemen of zijn er een paar heren die ergens op kantoor zitten en denken, hoe kunnen we het die pelgrims nu zo moeilijk mogelijk maken. Toch over die berg en dan als beloning een prachtig zicht op Bilbao. Via een oneindig lijkende trap daal ik af naar het oude Bilbao. Ik besluit om hier een extra dag te blijven. Jean gaat verder want die moet op tijd en volgens een strak schema in Oviedo zijn. 

Deze etappe is nog geen 11 km, voor elven ben ik al in Bilbao, alle tijd om de stad te verkennen.

We bezoeken samen nog het Guggenheim museum en volgens het Franse boekje van Jean een café waar je echt geweest moet zijn. We kunnen het niet vinden maar we moeten daar perse iets drinken. Eindelijk vinden we het en inderdaad het is een pracht, café met veel glas-in-lood en vol toeristen.

De plaatselijke alberque ligt aan het einde van Bilbao tegen een groot industriegebied aan.

Het is er rustig. Op de kamer waar we komen ligt een man op bed, het is Hugh een Australiër die hier begint aan zijn tocht naar SdC.

Het is hier stil, toch mag ik maar een nacht blijven, regels, alleen als je ziek bent kun je langer blijven en dus moet ik voor de volgende nacht een andere plek zoeken.

Met z’n drieën nemen we de bus naar het oude Bilbao en daar vind ik een kamer voor de volgende nacht. 

Het wordt een gezellige avond en met Hugh klikt het direct. Toch blijf ik bij mijn besluit om hier een extra dag te blijven en Jean te verlaten.

Jean en Hugh gaan samen verder en zijn vroeg weg. Ik neem mijn gemak ervan en blijf lekker uitslapen. Met de bus ga ik terug naar de oude stad en breng mijn spullen naar de B&B of nee alleen een B, ontbijt moet ergens onderweg. Ik ga nog eens naar het Guggenheim want met Jean stonden we in een uurtje weer buiten. Het is een prachtig gebouw van binnen en van buiten. Mooie expositie’s. Bij de oude brug staat een tent, daarin is een expositie van de vroegere pelgrimsreis naar SdC. Je moet er niet aan denken op de schoenen te lopen die de pelgrims uit die tijd aan hun voeten hadden. Gewoon een stukje leer met bandjes. Wij moderne pelgrims zijn maar verwend met onze uitrusting. Het moet vroeger echt afzien geweest zijn. Volgens de papieren die ik te zien kreeg haalden velen ook Santiago niet. Overvallen door bandieten terwijl er meestal niets te halen was en overlijden door totale uitputting.

 De dag rust bevalt mij goed en ik tracteer mijzelf nog op een avond schouwburg. Ik kijk naar een fantastisch ballet. Ik val een beetje uit de toon met mijn ice-breaker kleding aan. De mensen die hier vanavond ook zijn, zijn iets sjieker  gekleed. De “dame” naast mij heeft een bontstola om en het is toch echt warm. Dat soort types dus. Maar het ballet is groots, wat een lichaamsbeheersing.

De camino roept weer. De route van vandaag gaat eigenlijk naar Portugalete maar vanuit Bilbao gaat die route over grote industriegebieden. Mij is afgeraden dit te doen en met de metro naar Portugalete te gaan. Naar zo’n advies luister ik dus graag en ik sla het eerste deel over. Als compensatie,  want ik voel mij een beetje schuldig,  loop ik vandaag door naar Castro Urdealis en dat is toch bijna 28 km. In de alberque waar ik nu kom deel ik de kamer met twee vrouwen. Toen ik binnenkwam dacht ik een man en een vrouw  te zien,  maar de man bleek ook vrouw te zijn. Alex heet ze en door haar kaal geschoren hoofd word ik even op het verkeerde been gezet. Alex is een Duitse die alles in Duitsland heeft achtergelaten en aan niemand heeft verteld wat ze aan het doen is. Ik heb een dag samen met haar gelopen en al lopend komt er veel los. Ze had een goede baan en een relatie maar werd van alle kanten misbruikt. Uiteindelijk koos ze voor zichzelf, heeft haar lange haar niet kort geknipt maar helemaal afgeschoren en is vertrokken. Heftig, onder het lopen veel huilpartijen. Ze kon mijn tempo niet bijhouden en daarom is het maar bij een dag gebleven. Na 27 km zijn we in Laredo en zijn maar met z’n tweeën in de alberque. De andere vrouw uit de vorige plaats heb ik niet meer gezien.

De volgende ochtend ga ik al vroeg op pad, Alex blijft liggen. We geven elkaar een dikke knuffel en ik vertrek. Op weg naar een bijzondere alberque in Guemes.

Guggenheim museum

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)