Start van de Primitivo

Hoofdstuk 13

Het is even zoeken maar toch staan we al vroeg voor de alberque in Oviedo. Alles is dicht en hij gaat pas om half vijf open. Er staan al een paar mensen te wachten. Om nu een paar uur daar voor zo’n gebouw rond te hangen is niet echt aanlokkelijk. We zetten de rugzakken in de tuin en gaan de stad in. Hugh moet wat zakelijke dingen regelen en gaat in een café zitten en ik ga deze stad eens bekijken.

Deze studentenstad is de hoofdstad van het prinsendom Asturië. Het is een stad die niet vol is met toeristen en het is de stad van de cider. Wat ook opvalt zijn de grote glanzende beelden die overal staan. Het moeten er ruim honderd zijn.

De grootste attractie blijft toch wel het cider schenken. Dat gaat zo. Je bestelt cider en dan pakt de ober een glas in zijn hand op dijbeenhoogte. In zijn andere hand de fles cider die hij met een gestrekte arm boven zijn hoofd houdt en daarvandaan giet hij wat cider in het glas. Niet zoveel want je moet het glas in een teug leegdrinken. Is je glas leeg dan weer hetzelfde ritueel.

Een goede ober schenkt zo van boven en morst geen druppel.

Mijn broek is stuk en ik zie een klein atelier. Binnen achter een naaimachine zit een vrouw te werken. Ik ga naar binnen en laat zien waar het stuk is. Peligrino? Vraagt ze. Si, antwoord ik. Ze begint in het Spaans te ratelen en te gebaren en ik begrijp dat ik mijn broek moet uittrekken. Ze pakt de broek aan en zet zich weer achter de machine en begint aan de reparatie. Daar sta ik dan in mijn onderbroek. Ze is rap en binnen een paar minuten kan ik hem weer aantrekken. Ik vraag wat het kost, nada, zegt ze met een dikke glimlach. Buen Camino. Het geeft mij een fijn gevoel.

Mijn broek wordt vakkundig gemaakt.

Tegen half vijf weer terug bij de alberque en het is goed dat onze rugzakken er al staan want de rij mede pelgrims is al aardig lang geworden.

Voor het eerst in deze alberque worden de vrouwen van de mannen gescheiden. We hebben aparte kamers. Ik bemachtig een onderbed. Vooral als je s’nachts eruit moet is dat wel handig. Boven mij komt een man te liggen die binnenkomt in een soort camouflage kleding en een enorme rugzak. Hij legt zijn slaapzak op het matras en verdwijnt weer net zo stil als hij binnenkwam.

Ik doe even een tukje en ga daarna met Hugh op pad om wat te eten. Gewoon een stukje eten gaat op dit tijdstip niet dus er zit niets anders op dan wat te gaan drinken. De gewoonte is hier dat bij elk glas drank dat je bestelt er een tapas zit. Vaak wel wat zoute dingen zodat je dorst houdt. In een smal straatje komen we terecht in een drukke bar. Buiten staat het vol mensen met een drankje in de hand. De man van het bovenbed zit alleen aan een tafeltje en er staan nog twee stoelen naast. Hugh en ik schuiven bij hem aan. Het is een Brit, Jake. Even voorstellen, hij heeft eerst in het Britse leger gezeten, eenheid special boot service, een elite eenheid waar alleen de best getrainde mannen inzitten. Na vele geheime missies is hij overgeplaatst naar een speciale eenheid van de politie. Tot dat het hem allemaal teveel werd, er helemaal doorheen zat en uiteindelijk afgekeurd, nog geen vijftig. Allerlei therapieën gevolgd maar niets helpt echt. Uiteindelijk komt hij in Nederland terecht bij ene Greet. Dat helpt hem echt en door haar is hij nu als pelgrim onderweg naar Santiago. Begonnen in Engeland. Hij vertelt dit om dat ik uit Nederland kom en ook als therapie om er zoveel mogelijk over te praten. Op de klok kijkend moeten we opschieten want om tien uur gaat de deur van de alberque op slot. We zijn net op tijd.

Lekker buiten met je drankje

Die nacht als ik een tijdje wakker lig staat Jake opeens naast zijn bed. Ik heb niets gehoord. Normaal is het een gestommel als er iemand uit zijn bed komt maar nu hoorde ik niets. Het lijkt wel een kat. Ik zie hem met z’n slaapzak de kamer uit sluipen en hij komt niet meer terug. Het was te warm en hij heeft buiten geslapen, vertelde hij s’morgens.

Vandaag lopen we naar San Juan de Villapañada, dit is iets meer dan 28,5 km. Het is nog een hele toer om de stad uit te komen. Er liggen wel overal van die koperkleurige schelpen in het trottoir maar er lopen diverse routes. Na een beetje heen en weer gedrentel, zitten of eigenlijk lopen we weer op de goede route. Het parcours is niet al te moeilijk, wat heuvelachtig terrein maar het aantal km gaat toch wel in mijn benen zitten.

De alberque ligt zo als gewoonlijk wat buiten het centrum. Wij komen rechts aan maar van de andere kant komt er ook een pelgrim aangesjokt. Hij moet ook bij de alberque zijn.

Het gebouw ligt iets op een heuveltje en heeft een ruimte met tien stapelbedden en een grote woonkeuken. De een na de andere pelgrim komt binnen. . De meeste Spanjaarden maar ook twee Poolse vrouwen. Een van de Spanjaarden is kok en hij gaat heerlijke spaghetti met tomatensaus maken. We zitten met z’n achttienen aan tafel. Weer andere mensen hier dan in Oviedo. De meesten die daar aan hun camino beginnen lopen de eerste dag tussen de 10 en 15 km. Beetje opbouwen.De Itäliaan is er wel en met 18 personen in een toch wat benauwde ruimte zal het geen rustige nacht worden.

Alberque

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Het einde van de Camino del Norte

Het is bloedheet. Het doel van vandaag in Colombres. Vooral het laatste stuk is zwaar. Niet dat de weg onbegaanbaar is, het is veel verhard lopen maar vooral veel stijgingen. Ook hier is het eindpunt weer ergens op een top. In Colombres zijn twee plekken om te overnachten. Een alberque particular en een geïmproviseerde slaapplaats in een sporthal. Ik kies toch maar voor de eerste. Tweepersoons kamers en lekkere douches. In eerste instantie zijn Hugh en ik de enige pelgrims die hier zijn maar een uurtje later komt het Tsjechische paar hier ook. Ze zijn blij dat ze eindelijk weer eens een kamer voor hen zelf hebben. Het is een leuk vrolijk stel. We gaan met z’n vieren eten en ze vertellen over hun leven. Van het jaar dat ze nu getrouwd zijn, zijn ze misschien een maand bij elkaar geweest. De vrouw is verpleegkundige en werkt fulltime in een ziekenhuis en de man is ICTer en werkt in Duitsland. Het salaris in Tsjechië is zo erbarmelijk laag voor verpleegkundigen en voor de man is er geen werk zodat hij wel verplicht in het buitenland moet werken, willen ze samen iets kunnen opbouwen. Daarom is deze reis naar Finisterre zo belangrijk voor ze. Dat soort problemen kunnen wij ons bijna niet voorstellen in ons welvarende, vol met zeurende mensen, land.

Het Tsjechische paar

Naar Santiago lopen is niet alleen maar lopen, onderweg zijn er veel plekken waar je de tijd voor moet nemen om die te bekijken. Hier in Colombres is dat zeker het Museo de la Emigratión. Het is al een prachtig gebouw aan de buitenkant en binnen kun je op drie verdiepingen de geschiedenis tot je door laten dringen van de vele emigranten die naar vooral Zuid-Amerika vertrokken. Het museum is gebouwd door de emigranten die het in de verre gemaakt hebben.

Een van die avonturiers was Iñigo Noriega Laos. In 1867 vertrok hij op veertienjarige leeftijd uit Colombres naar Mexico. De reis er naartoe, natuurlijk per schip was een verschrikking maar eenmaal in zijn “beloofde” land ging het een stuk beter. Hij werd een van de rijkste zakenmannen van Mexico. Daar bouwde hij ook een stad die hij Colombres noemde. Hij was een van de geldschieters van dit museum. Voor hem kwam er een nogal vervelend einde aan zijn leven. Tijdens de revolutie werden al zijn bezittingen onteigend en hij stierf op 67 jarige leeftijd.

Ik heb toch wel een paar uur vertoefd in dit museum en kon mijn fantasie de vrije loop laten.

Zomaar. Een herderin onderweg

Weer op de camino en op weg naar het 23 km verder gelegen Llanes. Op deze route had ik de keus voor een kortere route langs de weg of een wat langere en moeilijker langs de kust. Het werd de kust en daar heb ik absoluut geen spijt van gehad. Wat een mooie uitzichtpunten hier over de baaien en zee. Het is eigenlijk een GR de E-9 en ik moet alleen de rood-witte markering maar volgen om goed te lopen.

Iets voor mij loopt zo te zien een medepelgrim. Hij blijft vaak stil staan om een selfie te maken. Ik praat over 2010, toen zag je dat nog niet veel. Een kleine camera, eerst even zijn haar kammen, goede pose aannemen en klik. Hij blijkt een Italiaan te zijn, Sandro. Hij ziet er piekfijn uit, wit haar en dito keurig verzorg baardje. Dit is de eerste ontmoeting met Sandro en er zullen er nog veel volgen want hij loopt dezelfde route en tempo.

Die avond ook voor het eerst in een en de zelfde kamer. Is dat erg? Prettig is het niet want Sandro heeft een bijzondere eigenschap. Hij kleed zich uit, gaat even op de zijkant van zijn bed zitten, het lijkt dat hij dan bidt, gaat liggen en binnen 30 seconden begint hij te snurken dat het lijkt of je in een mega varkensstal bent. Zo gaat dat iedere avond. Als er meer kamers zijn zorg ik er voor niet in zijn kamer te liggen. Als er een kampioenschap snurken zou zijn wint deze man met ruime voorsprong.

Toch nog wel wat geslapen en de volgende dag vroeg weg. Vandaag lopen we naar Ribadesella toch bijna dertig km.

Deze stad ligt pal aan zee en de rivier de Sella mondt hier uit. We zijn pas laat in de middag hier maar gaan toch even naar de zeekant om een duik te nemen. Ik heb geen zwembroek bij me maar in een Odlo onderbroek is het ook goed zwemmen. Het water is nog wel koud maar na zo’n dag lopen knap je wel op van een duik.

Na nog een paar dagen lopen hier langs de kust besluit ik om verder te gaan op de camino Primitivo.

In het gehucht Casquita kun je of doorgaan met de Del Norte of afbuigen naar Oviedo en dat laatste doe ik.

De Primitivo loopt door Asturias en Galicië.

Deze camino is waarschijnlijk de allereerste weg naar Santiago de Compostela. Vandaar ook de naam Primitivo, die ook de Oorspronkelijke genoemd wordt. Het verhaal wil dat Alfonso 11 el Castro in de 9de eeuw deze weg nam om te kijken bij het pas ontdekte graf van de apostel Jacobus. Hij moest wel over deze weg omdat de andere wegen nog bezet waren door de Moren. De Primitivo wordt ook genoemd als de zwaarste camino. Het binnenland van Asturias is erg hoog dus veel stijgen en dalen.

Tot zover dus de Camino del Norte. Een pittige camino maar dat zijn ze allemaal eigenlijk wel.

Volgende week lopen over de camino Primitivo.

Prachtig zicht op de zee langs de Camino del Norte
blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Camino, dagelijkse routine?

Vanaf de plaats waar ik begon, Wissant, ben ik nu zo’n 1200 km gevorderd. Het is niet meer voor te stellen dat het begin voor mij zo moeilijk was. Die narigheid met mijn voeten en scheenbeen. Sinds ik op de schoenen loop die ik heb laten opsturen heb ik geen centje pijn meer. Mijn voeten zijn genezen en ik heb geen blaar meer gehad. Dit is heel anders lopen. Door gemiddeld 25 km per dag te lopen is mijn conditie steeds beter geworden en is top. Dat wil nu ook niet zeggen dat het makkelijk is, als ik na 6 tot 8 uur lopen aankom op mijn dagbestemming ben ik toch wel blij dat ik er ben. Het is heel apart maar in de meeste gevallen liggen de alberques aan het einde of iets buiten het dorp en op het hoogste punt. Het is net een wielerwedstrijd, de finish is dan ook pas na een laatste moeilijk stukje.

 De dagen zijn eigenlijk allemaal hetzelfde heel basic. Ze beginnen vroeg, meestal voor zevenen het bed uit. Wassen, aankleden, de rugzak weer inpakken en het papieren onderlaken en sloop weggooien. Klaar om weer een dag te lopen. Als er iets open is eerst wat eten en koffie of anders lopen tot er wel iets is. Onderweg wat fruit en chocolade kopen, stokbroodje en wat beleg. Meestal van die driehoekskaasjes, La Vache Qui Rit. Makkelijk en je hebt met zo’n doosje gelijk voor een paar dagen iets op je brood. Ik kan ze nu niet meer zien.

Weer lopen tot het tijd wordt voor een menu del dia. Ik doe dat het liefst aan het begin van de middag. In Spanje kun je pas laat s’avonds eten en dan lig ik met zo’n volle maag in bed. Het nadeel is wel weer dat bij een dagmenu dat negen euro kost, ook een halve fles wijn inbegrepen is. Wel lekker maar er moet nog gelopen worden. Dat doe ik dan ook tot ik bij de alberque ben.

Inschrijven en een stempel op mijn kaart, bed uitzoeken of aangewezen krijgen. Papieren hoes over het matras en kussen en eigen slaapzak erop. Schoenen en sokken uit en dan als eerste een heerlijke douche. Dat is zo lekker, ik sta onder de hete straal, mijn ogen dicht en het lijkt of met het water dat in het putje wegloopt ook mijn vermoeidheid door dat zelfde putje verdwijnt. Avondkleding aan en nog even een handwasje doen, in ieder geval een van de drie sneldrogende onderbroeken die ik bij mij heb.

Meestal ga ik dan een klein tukkie doen en sta na een half uur weer fris naast mijn bed. Het stadje of dorp wat verkennen en een consumptie nuttigen.

Dagboek schrijven en de foto’s bekijken die ik geschoten heb. Als er WiFi is wat tien jaar geleden lang niet overal was, een tijdje Skypen met mijn lief.

s’Avonds wat kletsen met de medepelgrims en vroeg naar bed. Dat is het wel zo’n beetje en dat iedere dag. Het lijkt wel werk maar dan anders en dat is het zeker.

Ik maak mij bijna nergens meer zorgen om, de enige zorgen die ik heb zijn , kan ik ergens eten en  slapen want ik weet nooit precies waar dat kan. Is de alberque waar ik wil slapen vol dan moet ik door of als ik net wil eten is die winkel of restaurantje dicht.

 Het fijne van lopen is voor mij dat ik opga in de natuur. Ik zie en ruik alles veel beter. Een horloge heb ik niet nodig. Ik loop niet op tijd maar gewoon wat ik aankan. Of ik nu 6 of 9 uur doe over 25 km, ik moet niet op een bepaalde tijd ergens zijn en dat geeft zo’n gevoel van vrijheid. Zo loop ik mijn dagen en ik zie wel wanneer ik aankom op mijn eindbestemming, Santiago de Compostela.

Als er niets open is dan zelf maar iets maken.

Hugh en ik lopen achter elkaar op een smal paadje als we voor ons een vrouw en een man zien. De man loopt niet lekker, hij loopt scheef net of hij op een been wil lopen. Ze hebben rugzakken om dus het zullen wel medepelgrims zijn. Als we dichterbij komen zien we dat de man op teenslippers loopt. Als pelgrim loop je nooit andere pelgrims zomaar voorbij, nee je maakt een praatje. De vrouw en de man zijn Amerikanen. Ze zijn pas een week onderweg en de man kan zijn loopschoenen niet meer aan van de ontstekingen. Dat doen we wel even dachten ze en de eerste dag liepen ze direct al 45 km. Niet getraind en dan vol er tegen aan. Overbelasting.

Waar zijn jullie begonnen, vraagt de vrouw.

Ik in Bilbao en hij, ik dus, in Noord Frankrijk. Hij heeft er nu 1200 km opzitten zegt Hugh.

Twaalfhonderd km vraagt de vrouw ongelovig. Hoe kun je er dan zo stralend uit zien.

Dat doet de camino dus met mij, ik heb het zo naar mijn zin dat dat ook uiterlijk te zien is en zo voel ik mij ook, stralend.

Hugh en ik lopen door en ik denk na over de opmerking van deze vrouw. In Frankrijk waar ik alleen liep en verschrikkelijk heb afgezien heb ik mijn psychische bagage kunnen wegwerpen en nu is het genieten met alleen mijn fysieke bagage.

Camino del Norte

Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Hugh

Hoofdstuk 10

Hugh

Na een zeer onrustige nacht in de benauwde ruimte waar geen raam open mag ga ik toch maar weer op pad voor de 23 km naar Mogro. Voor zessen is het al een drukte van belang en dringen bij de wc’s en douches. We lopen om zeven uur al buiten en het duurt even voor er een tentje open is voor een desayuno. Echt wakker worden van een goede kop koffie.

Het is eerst veel asfalt maar dat hoort er nu eenmaal ook bij.

Jean heeft echt haast want die is in no time verdwenen. Hugh en ik hebben een wat rustiger tempo.

Hugh woont in Australië en praat dan ook die typische taal. Het is even wennen maar goed te doen.

In Sydney heeft hij een Apple service bedrijf en iedere winter daar gaat hij drie maanden naar Europa. Vorig jaar liep hij zijn eerste camino en direct al een pittige, de Via de la Plata. Deze loopt van Sevilla naar ScC. Nu is hij wel wat hitte gewend en ging deze camino in juli doen. Bloedheet. Het voordeel is dat er bijna geen mens deze route in die tijd doet.

Het heeft niet zoveel met mijn camino te maken maar ik vind het zo apart dat ik het toch vertel.

Hij begint de eerste dag in Sevilla samen met een vriend. Deze heeft het goed voorbereid en vertelt Hugh hoe er gelopen moet worden. Dat gaat natuurlijk verkeerd.

Verkeerde weg bij de start en ze moeten door het water waden. Na een paar dagen kan die vriend niet meer en zegt, ik moet een paar dagen rust, ga jij maar verder ik kom je wel achterna met OV. Na een week komt er een bericht uit Engeland waar hij woont, ik ben maar naar huis gegaan het is niets voor mij. Hugh was door hem overgehaald om te gaan lopen.

Intussen loopt Hugh met een Duitser, Heinz, hoe Duits kan je zijn. Een man van net zestig die kanker heeft. Hij is uitbehandeld en hij wil speciaal naar SdC lopen. Zijn familie is het daar niet mee eens maar hij gaat toch.

In een alberque waar ze met z’n tweeën zijn komt er nog iemand binnen, een fietser. Dit is een Spanjaard en heet Manolo. Zijn fiets is stuk en hij besluit om een dagje mee te lopen. Dat bevalt hem zo goed dat hij naar huis belt, hij woont in Sevilla en is daar taxi-chauffeur, voorlopig kom ik niet thuis, ik ga niet fietsen maar lopen naar SdC.

Zo gaan ze gedrieën op weg. Hugh spreekt alleen maar Engels, Heinz alleen Duits en Manolo alleen Spaans.

Het is een zware route met lange afstanden (ik heb hem ook gelopen) en Heinz krijgt het steeds moeilijker maar hij wil zijn tocht afmaken.

Deze mannen krijgen zo een hechte band, Hugh en Manolo doen er alles aan om het voor Heinz mogelijk te maken om de kathedraal in SdC te halen.

Manolo draagt niet alleen zijn eigen spullen, hij draagt ook de rugzak van Heinz. Uiteindelijk halen ze de eindstreep. Heinz is op maar o zo gelukkig. Dit was de reis die hij altijd al wilde maken, drie maanden later begon hij aan zijn laatste reis, die naar een andere wereld.

Je zou hier zo een mooie film over kunnen maken. Een waar gebeurd verhaal.

In Mogro zit Jean al aan zijn biertje en aan de ene sigaar die hij per dag rookt. Een man van vaste gewoontes zelfs hier op de camino.

De volgende dag is een wat kortere afstand. Ik loop naar Santilliana del Mar, het is ongeveer 19 km.

Nu is de korte route stiekem over een spoorbrug, dat ten strengste verboden is. Doe je dat niet dan moet je 10 km omlopen. Wat denk je dat we doen? De brug natuurlijk. We staan eerst een minuut of tien te twijfelen, wachten tot er een trein komt en daarna snel eroverheen. Het vervelende is dat er geen trein komt. We hebben geen dienstregeling. Er komen een paar andere pelgrims aan en die lopen zonder te aarzelen naar de overkant. Wij rennend erachteraan. Gered en geen trein gezien.

Hierna gaat de weg stijl omhoog en ik ben wel blij om in Santilliana del Mar te komen.

Dit is een Middeleeuws stadje met nog prachtige huizen en een soort kinderkopjes als bestrating.

Ik vind het een beetje op Valkenburg lijken. We zijn best vroeg hier en na een tukje nog een echte wandeling door dit prachtige stadje met zijn vele restaurants. Hier een uitstekend menu del dia gegeten.

Vandaag loop ik 22km naar Comillas. Het is een rustige etappe maar wel erg veel verharde weg. Het kan ook vaak niet anders. Ik heb er een behoorlijke hekel aan maar de pelgrim moet niet mopperen.

Onderweg komen we langs een oude vrouw die een tros bananen in de hand heeft. Iedere pelgrim krijgt een banaan van haar. Dat doet ze al jaren, echt zo ontzettend lief.

Dan is er ook nog een “beroepspelgrim”. De man met de witte baard komt uit Andalusië en brabbelt een onbekend taaltje. Hij loop al meer dan 30 jaar ieder jaar naar Santiago de Compostela. Heel op zijn gemak. Over twintig kilometer doet hij gewoon de hele dag. Komt in de alberque en gaat op zijn bed liggen. Eet nooit met ons mee. De banaan van de lieve vrouw nam hij wel aan. Wat en waar hij eet is een mysterie. Ik kom hele aparte figuren tegen op mijn weg naar SdC.

Links de Andalusiër en rechts Hugh

En zo ben ik dan in Comillas, een plaats aan de kust met een grote begraafplaats op een heuvel. Ik weet niet meer hoe de goede man heet maar het was een invloedrijk iemand. Hij bouwde dit kerkhof voor de gewone mensen zodat ze op een mooie manier begraven konden worden. Het kijkt helemaal uit op de zee. Heel indrukwekkend. Een levensgrote engel staat op het hoogste punt.

In Comillas staat ook een bouwsel van de beroemde architect Gaudí. Het kostte wel heel veel moeite om het pand te vinden

Morgen mag ik weer 29 km lopen naar Collombres.

(Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Mijn fles is halfvol

Hoofdstuk 9

Het is half acht en ik loop al buiten. Vandaag is de afstand naar Güemes29 km. Zeg ik loop 5 km per uur dan is het toch zeker 6 uur later en met rust mee al snel 8 uur later, daar aankomen. In Spanje zijn de cafetaria’s al vroeg open en dat is maar goed ook. Een cortado om goed wakker te worden en voor mij meestal een bocadillo, een belegd broodje. Na een kwartier loop ik weer buiten. Ik heb er zin in. Vandaag lekker alleen lopen. Samen met iemand lopen is vermoeiender , allereerst omdat je meestal niet dezelfde taal spreekt en je stemt het tempo toch op elkaar af.

Het is warm en ik ben vergeten mijn waterfles te vullen. Hij is maar halfvol. Ik moet mij vaak dwingen om genoeg te drinken, ik denk er gewoon niet aan. De camino loopt langs een grote gevangenis en als ik hier zo loop denk ik oei, blij dat ik hier mag lopen en niet daar achter die muren zit.

In een dorpje gaat het mis, geen teken meer te zien. Ik dool wat rond en vraag aan een man met een Duitse herder aan de lijn of hij misschien weet waar de camino loopt. Ja dat weet hij wel, hij wijst mij een richting aan naar een pad dat naar boven loopt. Nu loopt de camino vaak ergens naar boven dus dat geeft vertrouwen. Het pad gaat over in een kale vlakte met allemaal takken erop. Daarachter is weer een bos en dat lijkt het hoogste punt te zijn. Het gaat behoorlijk stijl naar boven. Het is inmiddels bloedheet en de laatste druppel water heb ik uit mijn fles geperst. Boven bij het bos is dit niet het hoogste punt, het loopt door en wordt steeds onbegaanbaarder. Dit kan niet goed zijn. Ik ga de zelfde weg terug. Dit is in ieder geval niet de pelgrimsweg. Ik volg de weg en kom in een volgend dorpje.

Mijn mond lijkt wel een leerlooierij. Het is siësta tijd en alles is gesloten. Dan kom ik bij een huisje waar de woonkamer een winkel lijkt. De deur staat open en ik ga naar binnen. Mag ik water? Waarschijnlijk zie ik er behoorlijk droog uit want de man rent weg en komt terug met water. Wat is dat lekker.

Ik krijg een stoel en natuurlijk vraagt de man waar ik vandaan kom. Uit Holanda zeg ik. De man roept zijn vrouw erbij en zegt tegen haar dat ik uit Holanda kom.

Het kan niet meer stuk. Zij zijn op huwelijksreis geweest naar Volendam, ja niet Amsterdam maar Volendam. Fotoboeken worden tevoorschijn gehaald en ik zie het stel in Volendams kostuum en op klompen en op alle bekende plekjes. Ik krijg wat te eten en een lekker koud biertje.

Ik ben weer helemaal fit en volg de weg naar Güemes niet de officiële camino maar gewoon langs de tweebaansweg. Waarschijnlijk iets korter want ik ben al om half drie bij de alberque van Ernesto.

De alberque van Ernesto is een verhaal op zich. Het is een prachtig gebouw en het ouderlijke huis van Ernesto. Bij binnenkomst word ik begroet door een vrijwilliger en krijg een ijskoud glas water. Het is nog rustig en ik kan een lekker beneden bed uitzoeken. Tijd om een handwas te doen en heerlijk relaxen in de riante tuin. Liggend in het gras slaap ik al snel. In mijn droom hoor ik de stem van Jean, ik doe mijn ogen open, het is geen droom, het is hem echt. Omdat ik het eerste stuk met de metro heb gedaan is hij en Hugh achter mij gekomen en nu ook hier aangeland. Toch ook wel weer leuk.

Vlak voor we gaan eten komt Alex ook binnen.

Boven in de alberque is een ruimte ingericht als een soort museum met alles over de camino, fotoboeken, krantenartikelen en vooral positieve recensies over de alberque van Ernesto.

Er wordt door vrijwilligers gekookt en wij als pelgrims nemen plaats achter lange tafels en laten ons verwennen. Voor we gaan eten houdt Ernesto een lange preek. Hij hoort zichzelf graag praten begrijp ik. Het eten is heerlijk en dat alles op donativo basis. Je geeft een bedrag dat je kunt missen en wat het je waard is. Deze nacht geen snurkers en de volgende dag na een lekker ontbijt neem ik afscheid van Ernesto en ga samen met Jean en Hugh op pad.

Ernesto
Jean, ik en Alex

Güemes naar Santander een makkelijk dagje vandaag. Je kunt er op drie manieren komen maar ik kies voor de kortste en mijn twee kompanen lopen mee. We moeten een water over en dat gaat toch het makkelijkst met een boot. Op deze manier zijn we al vroeg in Santander en de kleine alberque is nog gesloten. Alberque Santos Martires heeft 38 bedden en deze staan allemaal in een kamer. Er staat inmiddels al een behoorlijke rij om een slaapplek te bemachtigen. We sluiten maar aan en voor mij staat een jong stel uit Tsjechië. De vrouw heeft een rugzak waar die van mij nog wel bij kan. Ze is mooi opgemaakt en wil hier in Santander met haar man aan de camino beginnen. Ze zijn bijna een jaar getrouwd en op hun huwelijksdag zei de man tegen haar “ik zal je overal volgen al is het naar het einde van de wereld”. Oké dat is goed zij de vrouw, dan gaan we volgend jaar lopen naar Finisterre, het einde van de wereld. Zo beginnen ze vandaag aan deze trip hier in Santander.

Hoe zwaar is je rugzak vraagt Hugh aan haar.

Een en twintig kilo, antwoord ze.

Hoe zwaar ben je zelf?

Vijftig misschien een en vijftig.

Dan moet je echt niet met dat gewicht gaan lopen, wat heb je allemaal bij je?

En daar komt er een opsomming. 4 paar schoenen, 5 complete sets aan kleding, 2 warme truien, föhn en een doos met opmaakspullen en dan nog slaapmatje en slaapzak.

Hugh heeft de Via de la Plata(Sevilla naar SdC) al gelopen en heeft dus wel wat ervaring op het gebied van wat wel en wat niet meenemen.

Ze gaan samen aan de slag en meer dan de helft gaat eruit en dat zal ze naar huis sturen.

Wat een uur in de rij staan toch nog kan opleveren.

Deze alberque is de kleinste die ik tot nu toe ben tegengekomen. De stapelbedden staan helemaal tegen elkaar aan en er zijn maar twee wc’s en twee douches voor 38 mensen. Niet zeuren Harry, je hebt in ieder geval een bed.

Deze tocht liep ik in 2010 en ben er nu een e-book over aan het schrijven. Ik plaats iedere week een hoofdstuk)

Naar beneden scrollen en je ziet de andere hoofdstukken.

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

de balans

Hoofdstuk 6

Stoppen of doorgaan?

De tocht door Frankrijk nadert zijn einde. Bordeaux komt in zicht en daar neem ik de trein naar Hendaye. De trein? Ja, het vooruitzicht om eindeloos door de recht aangelegde bossen van Les Landes te lopen lokt mij niet. Nu ben ik niet snel depressief maar daar doorheen lopen is vragen om het te worden.

Ik loop nu zo’n kleine duizend km in Frankrijk en maak de balans op wat mij dat gebracht heeft.

Door alleen mijn “eigen” weg te lopen heb ik ook alle beslissingen alleen moeten nemen. Ga ik recht door of neem ik de alternatieve route. Stop ik hier na 15 km of loop ik naar het volgende dorp, 10 km verder. Niet altijd vrijwillig. Die ene keer dat ik een hotel had uitgezocht op zo’n 25 km maar daar het hotel gesloten vind. Er is nog een wat luxer hotel maar daar lijkt het erop dat ik als bezwete pelgrim met alleen een grote rugzak niet welkom ben. De receptionist bekijkt mij van top tot teen en zegt dan, complet. Ik geloof er niets van. Doorlopen wordt het, er komt nog 13 km bij. Die laatste kilometers zijn zwaar, niet fysiek maar in mijn hoofd. Ik stel mij in op 25 en dan wordt het 48.

Het vooraf door mij gestelde doel is aankomen in Santiago de Compostela en dan ook direct even alle subdoelen even afgewerkt hebben. De subdoelen, veel belangrijker dan het einddoel. Verwerken, beslissingen nemen en vooral loslaten.

Door de “ontmoeting” met mijn dochters, waar ik eerder over schreef besef ik dat ik verder mag gaan. Niet vergeten maar verder gaan met mijn leven.

Ik heb het altijd moeilijk gevonden om ingrijpende beslissingen te nemen. Denk veel voor een ander, wat vindt die er van, kwets ik die niet en zo kan ik er nog wel een paar opnoemen. Ik heb hier geleerd alleen de verantwoording te hebben over mijn eigen beslissingen en mijn eigen leven.

Mijn pelgrimage zou erop kunnen zitten. Hier stoppen en naar huis gaan, mijn lief in de armen nemen. Nee dat doe ik niet. Ik neem de trein naar Hendaye en begin daar aan de overkant van de Pont de Saint-Jacques in Irun aan de camino del Norte.

Hoofdstuk 7

De gele pijlen.

Als ik de brug over ben en in Spanje zie ik voor het eerst de bekende bewegwijzering naar SdC. Gele pijlen en het Jacobsschelp teken. Ik heb nu ook een boekje met informatie over de route. Dit is anders lopen. Veel relaxter. Hier ben ik ook niet de enige pelgrim, ze zijn hier wel wat gewend. Ik sta een beetje rond te kijken en er komt al iemand op mij af die vraagt of ik het kan vinden. Een heel andere sfeer hier in Spanje, voor mij voelt het als thuis komen. Vandaag loop ik van Irun naar San Sebastián, bijna 25 km. Ook hier kom ik nog geen andere pelgrims tegen. Het is direct al prachtig hier, veel hoogte verschillen. Deze eerste dag op de camino del Norte begint best wel pittig. Na een afdaling kom ik aan de Ria de Pasaia die ik over moet steken om in San Sebastián te komen. Er gaat een bootje naar de overkant. Daar wordt het weer een klim. Als ik hijgend boven ben zie ik een bordje met een pijl erop staan, welkom pelgrim. Ik volg de richting van de pijl en kom bij een groot huis waar allemaal mannen in de tuin aan het werken zijn. Een van hen stapt op mij af en begroet mij in het Engels. Welkom, kom binnen om wat te drinken. Ik krijg een plaats achter het huis in de tuin en de man gaat naar binnen om drinken te halen. Om mij heen zie ik vrouwen en meisjes die echt aan het boenen zijn. Wat is dit, waar ben ik nu terecht gekomen. De man komt terug met drinken en heerlijke koeken.

Wat is dit hier, vraag ik.

Wij zijn een leefgemeenschap op Oecumenische basis. Wij bakken ecologisch brood en koeken en verkopen dat in een winkel in San Sebastián. Ik zelf kom uit Israël maar er zijn verschillende nationaliteiten hier.

Ik krijg er een beetje een vreemd gevoel van, het lijkt wat op een sekte, zeker als ik die mannen en vrouwen zo gescheiden aan het werk zie. De drank en de koek zijn trouwens heerlijk.

Dan vraagt de man, wil je hier blijven, we hebben vanavond een groot feest te vieren. Je kunt hier slapen. Het zou leuk zijn om je daar bij te hebben.

Wat doe ik, in een paar seconden zie ik diversen scenario’s voor mij. Een ervan is dat ik iets toegediend krijg en hier niet meer weg kom. Ben ik nu zo’n schijterd? Ik ga niet op zijn uitnodiging in en vertrek na een uurtje. Achteraf vind ik het jammer dat ik toch niet gebleven ben, ik had een feest van zo’n sekte lijkende leefgemeenschap wel mee willen maken.

Ik loop door en kom in een bruisend San Sebastián. Het is weekend en de straten zijn overvol. Ik ben dol op straat artiesten en muzikanten en die zijn hier volop. Met moeite ruk ik mij los uit deze gezelligheid en ga op zoek naar mijn eerste alberque.

Door de hele stad zie ik de gele pijlen en de alberque is helemaal aan de andere kant van waar ik binnenkwam.

Je kunt een alberque denk ik het beste vergelijken met een jeugdherberg van zo’n vijftig jaar geleden. Een of meerdere kamers met stapelbedden met alleen een matras en een kussen erop. Deze alberque is van de gemeente en een overnachting kostte toen in 2010 zes euro per nacht.

Ik krijg een papieren onderlaken en kussensloop en loop hiermee naar de kamer. Het is een smalle kamer met hierin 5 stapelbedden. Er is nog een bovenbed vrij. Op de andere bedden liggen al slaapzakken. Dit is wat anders dan ik gewend was in Frankrijk, daar sliep ik altijd in goedkope hotels en was het bed opgemaakt met echte lakens en vaak een donsdeken.

Ik probeer het dunne papieren onderlaken goed over het matras te krijgen maar trek er al direct een scheur in. Ook dat moet ik leren. Mijn slaapzak erover en klaar voor de eerste alberque nacht.

Een drukte op de gang en daar komen acht Italianen de kamer binnen. Het zijn fietsers, zij fietsen naar SdC. De kamer is goed gevuld. Ik ga er nog even op uit om een hapje te eten en als ik terug kom ligt op het bed onder mij de eerste looppelgrim die ik vanaf ik vertrok uit Wissant tegenkom. Het is Jean een 70 jarige Fransman die in Irun is begonnen aan zijn tweede pelgrimage naar Santiago de Compostela.

Volgende week: Jean

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Een ingrijpende spirituele ontmoeting

Hoofdstuk 5

In 2010 liep ik van ede naar Santiago de Compostela

Mijn belevenissen heb ik beschreven en plaats deze hier in delen.

Ik begin vandaag te lopen met een houten hoofd. De “gezelligheid “ van gisteren laat duidelijk zijn sporen achter. De eerste paar uur loop ik op de automatische piloot. Ik weet niet of andere Santiagogangers dat ook hebben maar ik begin na verloop van tijd altijd hardop  te zingen. Allemaal liedjes die ik vroeger leuk vond. Iedere keer komt Brandend Zand van Anneke Gronloh weer boven. Toen ik een jaar of 10 was had ik echt iets met dat nummer en ook de nummers van Johnnie Jordaan zing ik uit volle borst. Ik begin ook al tegen mijzelf te praten. Ik heb nu al zo’n tijd geen Nederlands meer gehoord dat ik het toch een beetje moet bijhouden. De dagen vliegen voorbij. Zingen, praten en vooral denken. Ik moet opletten met deze drukke werkzaamheden om niet verkeerd te lopen. Ik loop niet met een routeboekje maar op uitgescheurde bladzijdes uit de Michelingids waar de GR’s als stippellijn instaan. Mijn GPS is soms echt een uitkomst als ik weer eens de verkeerde kant opgelopen ben. Maar soms is verkeerd lopen niet verkeerd. 

Het is weer eens zover. Ik ben de GR route even kwijt en kom in een klein gehucht waar een oud kerkje staat. Sancta Anna, mijn lief heet Anna. Ik ga er naar binnen en ben er alleen. Het kerkje is er zo een met van die grote grijze stenen. Binnen sober ingericht en er branden kaarsen. Op mijn iPhone heb ik de Misa Criolla uitgevoerd door Mercedes Sosa en die zet ik op de speaker. Dan gebeurt er iets heel aparts. Ik voel de aanwezigheid van mijn twee overleden dochters. Het is echt of ze bij mij zijn. Het verwerken van dit verlies is een van de redenen waarom ik deze pelgrimage loop. Ik huil voluit en kan bijna niet stoppen. Het is of ze beide zeggen, het is goed zo. We zijn bij je deze tocht. Ik kom uit deze trance als de deur opengaat en er een paar dames binnenkomen die mij verbaasd aan kijken. Ik zet de muziek uit, droog mijn tranen. Ik steek nog drie kaarsen op, ook een voor hun moeder en blijf nog even met mijn ogen dicht zitten. Even in een andere wereld. Buiten is alles weer anders. Er rijden auto’s, er lopen mensen en het regent. Ik ben weer in de werkelijkheid.

Na een paar uur kom ik in Parthenay. Eindelijk ben ik in een stad die op de route ligt naar Santiago de Compostela. Het is een oude pelgrimsplaats. Het plaatsje heeft nog een toegangspoort die Saint-Jacques heet en is nog bijna in de oorspronkelijke staat. In sommige delen van de stad waan je je in de middeleeuwen. Heel veel vakwerkhuizen en in een van die huizen bevindt zich mijn B&B voor deze nacht. Een Schots echtpaar is de uitbater van deze B&B. Ik krijg een prachtige kamer beneden. Een soort gewelven kamer met daarin een groot hemelbed. Wel erg luxe voor een pelgrim maar ook wel erg lekker een keer.

Met al die mooie momenten in de natuur, prachtige gebouwen en natuurlijk het Saint Anna kerkje draait mijn fototoestel overuren en de geheugenkaart raakt al aardig vol. Ik heb een extra opslag in de vorm van een stickie bij mij en vraag aan de gastvrouw of ik even van haar computer gebruik mag maken om de foto’s over te zetten naar het stickie. Geen probleem. Het zijn grote bestanden, ook wat filmpjes en het duurt even.  Gebeurd, ik kan weer volop foto’s maken. Dat foto’s maken klopt helemaal maar helaas blijkt achteraf dat mijn foto’s niet op het stickie terecht gekomen zijn maar op de schijf van de gastvrouw en die heeft ze later verwijderd omdat ze dacht dat ze daar dubbel op stonden dus ook op mijn stickie. Daarom helemaal geen foto’s van het eerste deel van mijn camino.

Jammer, maar loslaten er zijn ergere dingen.

Volgende keer: het einde van Frankrijk en het begin van de camino del Norte.

Missa Criolla, Mercedes Sosa

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella

Zijn de Fransen nu echt aardig of………….

Hoofdstuk 4

In 2010 liep ik van ede naar Santiago de Compostela

Mijn belevenissen heb ik beschreven en plaats deze hier in delen.

Zijn de Fransen nu echt aardig of…………….


Het postkantoor is net open en ik sta al binnen om het pakketje met daarin mijn goed ingelopen Hanwag schoenen op te halen. De vrouw achter het loket snauwt mij iets toe en ik begrijp dat ik moet zeggen wat ik kom doen. Nu heb ik een beetje geoefend in het Frans hoe ik moet formuleren wat ik kom doen. Volgens mij komt het goed uit mijn mond maar de vrouw begrijpt er helemaal niets van. Spreekt u Engels? Non. Daar sta ik dan. Achter mij al een flinke rij en de vrouw waar ik tegen praat begint steeds ongeduldiger te worden. Maar er komt hulp. Iemand uit de rij komt naar voren en blijkt een Belg te zijn. Hij vertaalt net zo makkelijk wat ik tegen hem in het Nederlands zeg en eindelijk begrijpt de vrouw het en gaat naar achteren. Even denk ik dat ze maar direct koffie aan het drinken is maar na een tijdje komt ze toch terug en zegt tegen de Belg dat het pakje niet hier is maar op een bijkantoor. Als ze vertelt dat dit dik 5 km hier vandaan is kijkt ze mij triomfantelijk aan. Ik bedank de Belg , groet de vrouw vriendelijk en loop die 5 km naar het bijkantoor. Het is wel precies de verkeerde kant op maar die 5 heen en weer terug moet ook wel kunnen.

Op het bijkantoor twee heel aardige meisjes die ook geen Engels spreken maar wel precies begrijpen wat ik bedoel. Ik krijg een schaar en maak het pakje open. Zo kan het dus ook.  Mijn Hanwags kijken mij aan en dat niet alleen. Er zitten ook tekeningen voor mij in gemaakt door de kinderen van de vriendin die het opgestuurd heeft. Een brok in mijn keel. 

Ik wissel van schoenen en stuur de lage terug naar Nederland. 

Wat zit dit comfortabel, de binnenkant voelt heel zacht aan en het lijkt weer of ik gedragen word, tenminste de eerste paar meters. Mijn voeten moeten nog helen en dat duurt nog wel even.

Het is begin mei en nog steeds prachtig weer. De hele maand april geen drup regen gehad. De GR’s die ik loop zijn juweeltjes. Ik loop een tijdje over een oude niet meer in gebruik zijnde spoorbaan. Helemaal overwoekerd door prachtige bloemen, het zal wel onkruid zijn maar zo’n schoonheid. Alle knoppen komen uit en overal nieuw leven. Wat is het voorjaar toch een mooi seizoen om te lopen. Wat een rust, ik loop dagen achtereen en kom geen mens tegen. Mijn stemmingen wisselen sterk. Van euforisch om hier te mogen lopen tot medelijden met mijzelf omdat het zo eenzaam is. Als ik weer eens in een dorpje kom, de GR loopt er vaak omheen en ik wat contact wil maken lukt mij dat niet echt. Zijn die “Fransen” nu echt zo nors? 

Het tentje dat ik bij mij heb ga ik nu voor de tweede keer gebruiken. Ik loop al zo’n 30 km en ik kom bij een camping. Het gekke is dat ik niet durf om het zomaar in de vrije natuur op te zetten,  best schijterig. Nu dus weer eens een camping.

Achter de balie van de receptie zit een man te bladeren in een stapel papieren. Ik groet hem keurig in het Frans maar hij reageert niet. Misschien doof? Ik begroet iets luider en nog niet. Eindelijk komt hij zuchtend overeind en komt naar mij toe met een gezicht van “had je wat?”. Als ik duidelijk maak dat ik alleen ben en wil overnachten lijkt het wel een gunst dat hij mij een plekje wijst. Niet echt een vriendelijke Fransman.

 Mijn tentje is echt een tentje en weegt maar 900 gram. Ik pas er net in samen met de rugzak en opblaasmatrasje. De eerste keer dat ik hem gebruikte vond ik het geen succes en nu helemaal niet. Als ik opsta ben ik zo stijf als de bekende plank en het tentje is zo nat dat ik met het water dat er afloopt makkelijk thee zou kunnen zetten. Ook de binnenkant is nat. De zon schijnt gelukkig al maar het is toch ná elven als ik hem weer droog in de zak kan stoppen. Hij krijgt een enkele reis per pakketpost naar huis met nog een aantal dingen die ik toch niet gebruik en mijn rugzak gaat van zestien kilo naar dertien. Scheelt toch behoorlijk.

Het kan ook anders. Een paar dagen later ben ik om 4 uur al op de plaats waar ik een hotelletje heb uitgezocht. Het is nog gesloten en gaat pas om zes uur open. Nu is een van de dingen die ik graag doe na een dag lopen een lekker koud biertje drinken. Dat heb ik dan verdiend, vind ik. Iets verderop is een terras en het biertje smaakt heerlijk. Aan een tafeltje naast mij zit een man die verdacht veel lijkt op Wally Taxs, die zanger. Lang sluik haar met scheiding in het midden. Hij kijkt naar mijn rugzak en vraagt of ik naar SdC ga, hij ziet natuurlijk de bekende schelp op mijn tas. 

Ja ik ben onderweg. Wil je een biertje van mij, vraagt hij. Dat kan ik niet afslaan. Beetje gezellig zitten kletsen maar dan moet hij weg, hij heeft een winkeltje verderop en dat moet open. Even later komt hij terug en vraagt of ik bij hem in de winkel nog een biertje kom drinken, veel goedkoper. Dat doe ik dus. Het winkeltje is gevestigd in een klein grijs pandje. Door het smerige winkelruit kan ik net zien dat er een paar oude computers in de etalage staan. Het is een computerreparatie winkel.

Niet alleen een winkel, het is tevens zijn woonhuis. Misschien ben ik niet zoveel gewend maar dit heb ik echt nog nooit gezien. Allemaal jampotjes tot de nok gevuld met shagpeuken en zoveel lege bierflesjes dat je van het statiegeld voor een week eten kan inslaan. Wat doe ik hier? Toch blijf ik en drink gewoon mee. Ik kan gewoon blijven slapen. Hij is best een gezellige prater en zeker na de vele biertjes kan ik er ook wat van. Het bier is op maar geen nood. Twee panden verder zit een tabak annex bar. We gaan daar naartoe en drinken weer verder. 

Er komt een man binnen en die gaat bij ons staan, Jules, Wally heet dus Jules, vertelt wat ik aan het doen ben en de man is helemaal enthousiast. Hij heeft een tweede huis hier in de buurt en daar kan ik ook wel slapen. Hij heeft net ham gekocht dus laten we met z’n drieën naar zijn huis gaan dan drinken en eten we daar nog wat. Mijn rugzak opgehaald en mee met Toin. Zijn auto staat om de hoek, een BMW tweezitter. Jules rijdt er in zijn eigen gammele auto achteraan. Kwartiertje rijden en we zijn er. We eten ham en drinken een soort cognac. Verder weet ik niet meer hoe ik in bed gekomen ben. Wat ik wel weet is dat ik om zeven uur uit bed moet want Toin moet naar een begrafenis.

Stipt om zeven uur wordt er aan mij gesjord en als ik mijn ogen eindelijk open krijg staat Toin al helemaal fris en fruitig voor mij. We rijden terug naar de tabac, ik krijg een espresso en een croissantje en Toin zet mij keurig bij het begin van mij route af.

Achteraf denk ik nog wel eens dat het heel anders had kunnen lopen, geld en spullen weg en ergens alleen achtergelaten maar dit waren echt gastvrije Fransen. Misschien toch bescherming van Saint Jacques?

Volgende keer: een onwaarschijnlijke ontmoeting en mijn foto’s verdwenen.

blog reisblog te voet naar Santiago de Compostella